Duur partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 verkort naar 5 jaar

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het initiatiefvoorstel Wet herziening partneralimentatie. Met ingang van 1 januari 2020 wordt de duur van de partneralimentatie de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar.

Daarop zijn twee wettelijke uitzonderingen: langdurige huwelijken en huwelijken met jonge kinderen. Bij huwelijken langer dan 15 jaar, waarbij de leeftijd van de alimentatiegerechtigde ten hoogste 10 jaar lager is dan de AOW-leeftijd, is de duur van de partneralimentatie maximaal 10 jaar. Alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder die langer dan 15 jaar zijn getrouwd, hebben recht op 10 jaar alimentatie. Deze extra maatregel vervalt na zeven jaren. Bij huwelijken met kinderen, die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt, wordt de duur van de partneralimentatie maximaal 12 jaar.

Op dit moment geldt een termijn van 12 jaar. Voor diegenen die in een echtscheidingssituatie zitten, kan het moment van scheiden dus grote invloed hebben op de duur van de partneralimentatie. Laat u daarom goed informeren en adviseren.

Even voorstellen

Hallo, mijn naam is Samuel Peute. In december 2018 ben ik afgestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen in de richting strafrecht met vakken intellectueel eigendom.

Sinds februari 2019 werk ik als juridisch medewerker bij Lina Advocaten nadat ik hier anderhalf jaar stage heb gelopen. Ik houd mij met name bezig met strafzaken, maar verricht ook werkzaamheden met betrekking tot het bestuursrecht en civiel recht.

In mijn vrije tijd maak ik graag muziek en sport ik veel.

Maken we in Nederland echt een inhaalslag wat betreft de toekenning van smartengeld?

Eerder dit jaar werd in een Limburgse krant een artikel gepubliceerd, waarin werd geschreven dat rechters in Nederland aan een inhaalslag bezig zijn op het gebied van smartengeld. Dit zou vooral de strafrechters betreffen, die een slachtoffer een schadevergoeding kunnen toewijzen in het strafproces.

Inhaalslag in Nederland?

Nederland lag qua smartengeld bedragen ver achter op de ons omringende landen, om nog maar niet te spreken van het smartengeld in de Verenigde Staten. Als letselschade advocaat heb ik van deze inhaalslag nog niet veel gemerkt. Strafrechters zijn juist erg terughoudend bij het toewijzen van smartengeld. Bij een hogere vordering zeggen deze rechters al snel dat dit een te grote belasting van het strafproces betekent. Het zou te moeilijk zijn om tijdens het strafproces te bepalen hoe hoog het smartengeld daadwerkelijk moet zijn. Strafrechters volstaan dan met het toewijzen van een (klein) deel van het gevorderde smartengeld en spreken uit dat het slachtoffer de rest maar moet gaan ‘halen’ bij de dader via de civiele rechter. In de praktijk betekent dit dat slachtoffers zelden het volledige bedrag aan smartengeld krijgen dat hun toekomt, omdat daders vaak een spreekwoordelijke “kale kip” blijken te zijn.

Smartengeldgids

Waar baseert een letselschade advocaat de hoogte van het smartengeld eigenlijk op? Hiervoor hebben wij de Smartengeldgids. De Smartengeldgids is een jaarlijks opnieuw gepubliceerd boek, waarin uitspraken van rechters zijn opgenomen met betrekking tot smartengeld in verschillende zaken. In dit boek zijn uitspraken te vinden over allerlei soorten ongevallen en geweldsmisdrijven.

In Nederland hebben wij de gewoonte om aan te sluiten bij de bedragen in dit boek. Rechters houden hier soms zelfs krampachtig aan vast. Alleen de indexering kan voor verhoging van het bedrag zorgen. Op dit gebied valt voor slachtoffers dan ook nog veel winst te behalen: Nederland moet van zijn angst voor hoge schadevergoedingen af.

Erkenning slachtoffers

Langzaam is Nederland wel op weg naar meer erkenning voor slachtoffers. Op 1 januari 2019 is het wetsvoorstel Affectieschade in werking getreden. Hiermee kunnen naasten en nabestaanden van slachtoffers van ongevallen of geweldsmisdrijven een vorm van smartengeld vorderen bij de aansprakelijke partij (zogenoemde “affectieschade”). Dit zijn bij wet vastgestelde bedragen, waarvan niet kan worden afgeweken. Ook kan niet iedereen deze affectieschade ‘zomaar’ vorderen. De wet bepaalt specifiek wie eventueel recht heeft op affectieschade. Het is wellicht een kleine stap, maar het heeft jaren geduurd voordat dit wetsvoorstel er eindelijk door was. Tot 1 januari 2019 bestond er in Nederland geen recht op enige affectieschade.

Hoewel Nederland dus wel op de goede weg is kan van een inhaalslag (nog) niet worden gesproken.

Bent u slachtoffer van een ongeval of geweldsmisdrijf en wilt u weten of u aanspraak kunt maken op smartengeld? Neem gerust contact op met een van onze letselschadeadvocaten.

Een dagvaarding; wat voor ding?

Een dagvaarding, je zou er maar een krijgen. Krijg je er één, dan ben je opgeroepen om bij de rechtbank te verschijnen. Dat deel zal voor de meeste mensen nog wel duidelijk zijn. Maar de rest van een dagvaarding meestal niet.

Het kan gaan om een scheiding, burenruzie, arbeidsconflict, huur geschillen, een strafzaak en ga zo maar door. Problemen tussen mensen en/of bedrijven kunnen bij de rechter terechtkomen.

Veel mensen stoppen met lezen nadat ze de eerste paar zinnen van de dagvaarding hebben bekeken. “Onbegrijpelijk” is dan de reactie. Onbegrijpelijk dat ze er een ontvangen én onbegrijpelijk wat erin staat.

Dit heeft te maken met het ‘juridisch taalgebruik’. Ik denk niet dat dit op korte termijn zal veranderen. Er wordt al jaren geroepen dat juristen onbegrijpelijke taal gebruiken. Denk maar eens aan de schrijver Franz Kafka die daar meer dan 100 jaar geleden al een boek over schreef.

Omdat de dagvaarding een oproep is om bij de rechter te komen, is het wel een heel belangrijk stuk. Om goed gebruik te kunnen maken van al je rechten is het daarom heel belangrijk zo snel mogelijk hulp in te schakelen. Vaak moet je namelijk voor een bepaalde dag aangeven wat jij wilt dat er gebeurt. Doe je dat niet, dan ben je te laat. Dat kan in je nadeel werken. Het is dus belangrijk dat je op tijd deskundige hulp inschakelt. Een advocaat kan je helpen bij het voeren van verweer, het oproepen van getuigen of het inbrengen van bewijsstukken. Maar zelfs het laten intrekken van de dagvaarding is soms mogelijk.

Wees er daarom op tijd bij. Bij Lina Advocaten werken advocaten op vrijwel alle rechtsgebieden, waardoor de kans groot is dat wij je kunnen helpen. Ontvang je een dagvaarding? Neem dan snel contact op en wij zorgen dat de juiste, deskundige advocaat jou verder helpt.

Ondanks wangedrag werknemer, toch halve transitievergoeding

Bij ernstig verwijtbaar handelen heeft een werknemer in principe geen recht op transitievergoeding. Rechters oordelen hier verschillend over. In een recente uitspraak van de kantonrechter te Utrecht kreeg een werknemer, ondanks vergaande misdragingen, toch de helft van zijn transitievergoeding toegekend.

In de uitspraak van 27 november 2018 staat het ontbindingsverzoek van de werkgever centraal nadat er diverse incidenten met een werknemer hebben plaatsgevonden. Het ging daarbij onder andere om de volgende incidenten:

  • steeds opnieuw zonder toestemming niet op het werk verschijnen;
  • een klacht van een collega-monteur over het gedrag van deze werknemer;
  • voortdurende discussies over arbeidstijden en vergoeding van reisuren; en
  • het zogenoemde ‘automotorincident’, waarbij werknemer de motor van de bedrijfsauto stationair laat draaien en weigert deze, na klachten van de achterbuurman, op instructie van X uit te zetten, waarna X de motor zelf uitzet en werknemer vervolgens de motor weer start.

De kantonrechter ontbindt op de ‘e-grond’ wegens verwijtbaar handelen. De kantonrechter komt vervolgens toe aan de vraag of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, wat betekent dat er in principe geen transitievergoeding verschuldigd is. De kantonrechter overweegt daarbij als volgt (in r.o. 5.3): “De kantonrechter overweegt dat een werknemer weliswaar veel rechten heeft, maar hij heeft niet het recht om zijn werkgever het leven zuur te maken. Dat is wat deze werknemer al jarenlang doet.” Desondanks maakt de kantonrechter gebruik van het zogenoemde ‘luizengaatje’ en kent toch een halve transitievergoeding aan de werknemer toe. De werknemer zou lange tijd wel goed hebben gefunctioneerd en om die reden zou het niet redelijk zijn om geen transitievergoeding toe te kennen. Zelfs een werknemer die het erg bont maakt krijgt dus een deel van de transitievergoeding (in dit geval een bedrag van € 24.640,46 bruto!).

Klik hier voor de volledige uitspraak van de kantonrechter

Klopt uw alimentatie?

Volgens de wet worden alle alimentatiebedragen ieder jaar met een bepaald bedrag verhoogd. Dit geldt zowel voor alimentatie die door de rechter is vastgesteld als voor alimentatie die bij overeenkomst is vastgelegd. De verhoging gaat in met ingang van 1 januari van ieder jaar. Het percentage waarmee de alimentatie moet worden verhoogd wordt jaarlijks vastgesteld. Voor 2019 is dit bepaald op 2%.

 

Niet iedereen is van deze jaarlijkse verhoging op de hoogte. Bent u de afgelopen jaren vergeten om de alimentatie te verhogen? Op de site van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt dit eenvoudig voor u berekend: https://www.lbio.nl/indexering-alimentatie/

 

Bent u van mening dat uw alimentatiebedrag niet meer klopt? Volgens de wet kunt u vragen om de alimentatie te wijzigen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Neem gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor voor meer informatie hierover.

CD van jou, CD van mij…..of toch van ons allebei? Hoe zit het nu sinds 1 januari 2018?

Sinds 1 januari 2018 geldt het nieuw huwelijksvermogensrecht. Voor diegenen die na die datum trouwen (zonder het maken van huwelijkse voorwaarden) geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Voor die tijd gold de algehele gemeenschap van goederen.

 

Wat is het verschil?

In de beperkte gemeenschap van goederen valt niet meer alles in de gemeenschap. Maar wat wel en wat niet?

In de gemeenschap vallen:

  • alle inkomsten, bezittingen en schulden die de echtgenoten tijdens het huwelijk krijgen of maken;
  • alle eigendommen en schulden die voor het huwelijk al gemeenschappelijk

Dus… alle inkomsten, bezittingen en schulden die voor het huwelijk privé waren, blijven ook tijdens en na het huwelijk privé. Een ander verschil is dat erfenissen en schenkingen niet meer automatisch in de gemeenschap vallen. Bij een echtscheiding hoeft u dus minder te delen.

 

Haken en ogen

Het lijkt eenvoudig, maar er zijn toch wat haken en ogen. Zo kan het zijn dat u voor het huwelijk samen een woning hebt gekocht, waarbij het eigendom niet gelijk verdeeld is, bv 30%-70%. Omdat de woning voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was, valt de woning in de gemeenschap en zijn de echtgenoten ieder voor de helft gerechtigd. Bij een echtscheiding verdeelt u dus niet naar de oorspronkelijke verhouding 30-70, maar in de verhouding 50-50. Dit geldt ook voor schulden. Bij een echtscheiding kan het dus zijn dat u juist meer moet delen dan u had gedacht.

Ook zal een goede administratie nodig zijn om bewijsproblemen te voorkomen. Het komt immers vaker voor dat tijdens het huwelijk privévermogen samenvloeit met gezamenlijk vermogen. Bijvoorbeeld een (privé) spaarrekening waarop na verloop van tijd ook gezamenlijk spaargeld wordt gestort en waarvan zowel privéuitgaven en gezamenlijke uitgaven worden betaald. Welk saldo mag u dan nog als privévermogen claimen als u 10 jaar later gaat scheiden?

 

Ondernemers

Ook voor ondernemers wordt het anders. Als u al een onderneming hebt voor het huwelijk, valt die onderneming niet in de gemeenschap. Volgens de nieuwe regeling moet er dan vanuit de onderneming een redelijke vergoeding aan de gemeenschap worden betaald voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de echtgenoot/ondernemer voor de onderneming heeft aangewend. Wat een redelijke vergoeding is, is weer afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij er rekening wordt gehouden met het loon dat al uit de onderneming is ontvangen. Als ondernemende echtgenoot kunt u dus niet zonder meer alle winst binnen het bedrijf oppotten en zo buiten de gemeenschap houden.

 

Scheiden

Een op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding. Goed juridisch advies voor en ook tijdens het huwelijk kan een hoop onverwachte problemen voorkomen. Wilt u meer informatie? Neem gerust contact op voor een vrijblijvend gesprek.

Ook de geboorteakte genderneutraal?

Er is tegenwoordig veel te doen over genderneutraliteit. Zijn gescheiden mannen en vrouwen toiletten nog wel van deze tijd? Passen uitspraken als ‘Beste dames en heren’ nog wel? Moet kleding genderneutraal zijn? Het taboe over genderneutraliteit wordt steeds verder doorbroken. Rechtbank Limburg, locatie Roermond, heeft recent een uitspraak gedaan die daaraan bijdraagt.

 

Geboorteakte

Tot nu toe is het standaard mogelijk om ten aanzien van het geslacht in een geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ op te nemen. Als het medisch gezien niet mogelijk is om het geslacht vast te stellen, dan kan in de geboorteakte worden opgenomen dat ‘het geslacht van het kind niet kan worden vastgesteld’. Hiervan wordt aangenomen dat dit alleen kan ten tijde van de geboorte van een kind. Dit zou niet meer op latere leeftijd kunnen worden opgenomen als blijkt dat iemand zich zowel geen man als vrouw voelt.

Inmiddels is algemeen bekend dat sommige mensen zich geen man of vrouw voelen. Dit is niet altijd medisch te verklaren. Het gaat juist om hoe mensen zich voelen: hun ‘genderbeleving’.

 

Uitspraak Rechtbank Limburg

De zaak die voorlag bij de Rechtbank Limburg was een perfect voorbeeld van genderbeleving.

 

Casus

De belanghebbende is in 1961 geboren en aangegeven als ‘man’. In de puberteit werd duidelijk dat hij zich helemaal geen jongen voelde. Met medische behandelingen is hij een vrouw geworden en hierop werd de geboorteakte aangepast. Toen bleek echter dat zij zich ook geen vrouw voelde. De belanghebbende heeft absoluut geen identiteitscrisis, maar voelt zich geen man en ook geen vrouw. En hoewel de maatschappij hier steeds meer voor open staat, is de wet daar nog niet op ingericht.

Belanghebbende is naar de rechter gestapt omdat zij wil dat de (kromme) juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de feitelijke werkelijkheid. Zij wilde niet dat er op haar geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ stond, maar wilde een derde genderkeuze. Bijvoorbeeld ‘man noch vrouw’ of een ‘X’. Indien dat allemaal niet mogelijk was, heeft ze de Rechtbank gevraagd om dan ten minste te bepalen dat op de geboorteakte vermeld zou worden dat het geslacht niet kon worden vastgesteld.

 

Overwegingen Rechtbank Limburg

De Rechtbank heeft een mooie overweging geschreven met een afweging van de maatschappelijke ontwikkelingen en de juridische ontwikkelingen (internationaal, Europees en in Nederland).

Internationaal (wereldwijd) gezien moeten Staten er alles aan doen om te zorgen dat een door iemand zelfgekozen genderidentiteit kan worden uitgedragen. Hierbij wordt ook specifiek benoemd dat geboorteaktes en identiteitsbewijzen hiermee moeten overeenstemmen. Ook binnen Europa is dit het uitgangspunt. In een resolutie van 2015 (waar Nederland vóór heeft gestemd) wordt aangegeven dat het mogelijk moet zijn om een derde genderaanduiding ‘X’ op te nemen in de identiteitspapieren.

Hoewel er in Nederland absoluut ontwikkelingen zijn op het gebied van genderneutraliteit biedt de wet simpelweg niet de mogelijkheid om een ‘X’ als genderaanduiding op te nemen in de geboorteakte en identiteitsbewijzen. De rechter was wat dat betreft dan ook aan handen en voeten gebonden. De Rechtbank maakt echter wel duidelijk dat zij van mening is dat het gaat om de genderbeleving en dat er eigenlijk een mogelijkheid zou moeten zijn om een ‘X’ te laten opnemen. De rechter werkt om de juridische belemmeringen heen en geeft aan dat het belang van de belanghebbende op juridische erkenning van haar genderidentiteit zwaarder moet wegen dan het handhaven van de wettelijke regelgeving. Aangezien de rechter geen ‘X’ kan laten opnemen, beslist zij dat de geboorteakte gewijzigd moet worden en dat moet worden opgenomen dat ‘het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld’.

 

Afsluitend

In de uitspraak van de Rechtbank Limburg wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren en manieren waarop internationaal en nationaal wordt geprobeerd om genderneutraliteit een plek te geven.

 

Benieuwd naar de hele uitspraak? Deze is hier te vinden.

 

Voor eventuele vragen hierover of andere familierechtelijke zaken ben ik per mail en telefonisch bereikbaar.

Compensatie transitievergoeding bij zieke werknemers; wetsvoorstel aangenomen  

Op 10 juli 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel waarin de compensatie van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid is geregeld. Werkgevers kunnen naar verwachting per 1 april 2020 een compensatie vragen voor deze transitievergoeding.

Transitievergoeding

Sinds 1 juli 2015 heeft een werknemer recht op een transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, als deze minimaal twee jaar heeft geduurd. De bedoeling van de vergoeding is het compenseren van het ontslag en het vergemakkelijken van om de overgang naar ander werk. Ook bij ontslag wegens langdurige ziekte (na twee jaar ziekte) is de transitievergoeding verschuldigd.

Al sinds de invoering van de transitievergoeding wordt te verplichting om deze te betaling bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte als onrechtvaardig ervaren. Immers, werkgevers dienen voorafgaand aan zo’n beëindiging ook al twee jaar (70% van) het salaris van de werknemer door te betalen en ervoor te zorgen dat de re-integratie van zo’n werknemer goed verloopt. De hoge kosten die een werkgever toch al moet maken voor een zieke werknemer zijn voor de (voormalige) regering aanleiding geweest om na te gaan of de regeling omtrent de transitievergoeding op bepaalde punten zou moeten worden aangepast. Het daaruit voortvloeiende wetsvoorstel is nu aangenomen.

 

Regeling

Na inwerkingtreding van de nieuwe regeling (naar verwachting per 1 april 2020) ontvangen werkgevers een compensatie voor de betaalde transitievergoeding bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte. De vergoeding wordt betaald door het UWV en gefinancierd vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Daar staat wel een verhoging van de premie tegenover. De vergoedingsregeling krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015, hetgeen betekent dat ook reeds betaalde transitievergoedingen voor vergoeding in aanmerking komen.

Let op: een eventuele periode van een verlengde loondoorbetalingsplicht vanwege een opgelegde loonsanctie door het UWV wordt niet meegenomen bij de berekening van de compensatiehoogte. Ook in dit kader is het dus zaak om als werkgever aan uw verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Poortwachter, te voldoen.

 

Voorbereidingen

UWV zal gaan beslissen over de aanvraag voor compensatie. UWV zal een aanvraagformulier beschikbaar stellen waarmee werkgevers compensatie kunnen aanvragen. Hierbij zullen in ieder geval de volgende documenten moeten worden aangeleverd:

  • De arbeidsovereenkomst;
  • Documenten waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • Loonstroken waarop staat vermeld welk loon tijdens ziekte is betaald;
  • De berekening van de transitievergoeding en bewijs van betaling daarvan.

Het is dus van belang om te beschikken over de genoemde documenten ten aanzien van werknemers die na 1 juli 2015 uit dienst zijn gegaan wegens langdurige ziekte. U heeft voor deze oude gevallen na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel (naar verwachting 1 april 2020) zes maanden de tijd om de vergoeding aan te vragen.

Heeft u vragen over de compensatieregeling, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ons kantoor.

Vanaf 1 januari 2019 nieuwe aanpak vechtscheidingen bij Rechtbank Limburg

Deze week hebben onze familierechtadvocaten een bijeenkomst bijgewoond over het ‘Uniforme Hulpaanbod’: een pilot bij de Rechtbank Limburg voor een nieuwe aanpak van vechtscheidingen. Een uitzonderlijke samenwerking tussen Rechtbank, gemeenten, Raad voor de Kinderbescherming en jeugdhulpverleners met de hoop om vechtscheidingen in de kiem te kunnen smoren en blijvende schade bij kinderen te voorkomen of in ieder geval te beperken.


Huidige situatie

Op dit moment duurt het vaak lang voordat de noodzakelijke hulpverlening kan worden ingeschakeld. Het traject naar de Rechtbank toe is vaak al lang en vervolgens duurt het nog weken voordat er een beslissing is. Vaak gaat de Raad voor de Kinderbescherming dan eerst nog onderzoek doen en al snel zijn we een jaar verder voordat hulpverlening aan bod komt. In dat jaar hebben ouders alle tijd om conflicten hoger op te laten lopen en gebeurt er weinig om hen weer nader tot elkaar te brengen.

Zelfs als tijdens de zitting direct wordt besloten om een hulpverleningstraject in te zetten moet er vaak nog zes weken gewacht worden op de beschikking van de Rechtbank, waarna het meestal nog enkele weken duurt voordat deze bij de juiste instantie ligt. Pas dan kan er gestart worden met het inplannen van de afspraken, omdat er anders problemen zijn met de financiering. Dit betekent dus dat er alweer maanden verstreken zijn voordat het traject überhaupt wordt gestart.


Uniform hulpaanbod

Dat moest anders: snellere hulpverlening met een kortere doorlooptijd. Geen makkelijke opgave, want het vereist een samenwerking tussen alle gemeentes, jeugdhulpinstanties, rechtbanken en de Raad voor de Kinderbescherming. Maar het is gelukt: 1 januari 2019 start de pilot ‘Uniform Hulpaanbod’.

Wat gaat dat betekenen? Als er sprake is van een vechtscheiding waarbij hulpverlening noodzakelijk en zinvol is, kan er versneld worden doorverwezen naar een hulpverleningstraject. Meteen tijdens de zitting wordt een formulier ingevuld. Dit formulier gaat naar de Raad voor de Kinderbescherming en als er geen (zwaarwegende) contra‑indicaties zijn wordt het formulier binnen twee weken doorgestuurd naar de juiste jeugdhulpverleningsinstantie. Deze plant binnen vijf werkdagen een intake in, die uiterlijk binnen drie tot vijf weken moet plaatsvinden. Vanaf de zitting verstrijken er nog steeds enkele weken, maar dat is al aanzienlijk minder dan enkele maanden en de hoop is dat dit het verschil gaat maken.


Jeugdhulpverlening

Aan het Uniform Hulpaanbod doen verschillende trajecten mee: BOR (Begeleide omgangsregeling), KuK (Kinderen uit de Knel), KIES (coaching voor kinderen in vechtscheidingen) en OnS (Ouderschap na Scheiding). Afhankelijk van de situatie wordt het meest geschikte traject gekozen. Alle trajecten zijn erop gericht dat ex‑partners in de toekomst als ouders kunnen samenwerken, zodat kinderen hierin niet worden belast. De trajecten vragen een enorme toewijding van de ouders. Bij sommige trajecten spelen ook de kinderen een actieve rol.

Alle hulpverleningstrajecten duren zes tot zeven maanden en de Rechtbank wacht het resultaat van het traject af. Als het traject onverhoopt niet positief kan worden afgerond zal de Raad voor de Kinderbescherming alsnog een onderzoek gaan doen. Hiervoor hoeft de zaak niet opnieuw terug te komen bij de Rechtbank. Ook dat is een versnelling van de procedure.


Onze rol

Wij als advocaten hebben natuurlijk ook een rol in deze pilot. Wij informeren onze cliënten over de mogelijkheden, de verschillende soorten trajecten, de inhoud daarvan en ondersteunen onze cliënten waar mogelijk gedurende het hulpverleningstraject.

De pilot gaat op 1 januari 2019 van start en zal in ieder geval twee jaar duren, met de hoop natuurlijk dat het succesvol blijkt te zijn.

Mocht u meer informatie willen, benieuwd zijn naar de mogelijkheden en of een traject in uw situatie kan helpen, dan kunt u contact opnemen met ons via telefoon of e-mail.