Klopt uw alimentatie?

Volgens de wet worden alle alimentatiebedragen ieder jaar met een bepaald bedrag verhoogd. Dit geldt zowel voor alimentatie die door de rechter is vastgesteld als voor alimentatie die bij overeenkomst is vastgelegd. De verhoging gaat in met ingang van 1 januari van ieder jaar. Het percentage waarmee de alimentatie moet worden verhoogd wordt jaarlijks vastgesteld. Voor 2019 is dit bepaald op 2%.

 

Niet iedereen is van deze jaarlijkse verhoging op de hoogte. Bent u de afgelopen jaren vergeten om de alimentatie te verhogen? Op de site van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt dit eenvoudig voor u berekend: https://www.lbio.nl/indexering-alimentatie/

 

Bent u van mening dat uw alimentatiebedrag niet meer klopt? Volgens de wet kunt u vragen om de alimentatie te wijzigen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Neem gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor voor meer informatie hierover.

CD van jou, CD van mij…..of toch van ons allebei? Hoe zit het nu sinds 1 januari 2018?

Sinds 1 januari 2018 geldt het nieuw huwelijksvermogensrecht. Voor diegenen die na die datum trouwen (zonder het maken van huwelijkse voorwaarden) geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Voor die tijd gold de algehele gemeenschap van goederen.

 

Wat is het verschil?

In de beperkte gemeenschap van goederen valt niet meer alles in de gemeenschap. Maar wat wel en wat niet?

In de gemeenschap vallen:

  • alle inkomsten, bezittingen en schulden die de echtgenoten tijdens het huwelijk krijgen of maken;
  • alle eigendommen en schulden die voor het huwelijk al gemeenschappelijk

Dus… alle inkomsten, bezittingen en schulden die voor het huwelijk privé waren, blijven ook tijdens en na het huwelijk privé. Een ander verschil is dat erfenissen en schenkingen niet meer automatisch in de gemeenschap vallen. Bij een echtscheiding hoeft u dus minder te delen.

 

Haken en ogen

Het lijkt eenvoudig, maar er zijn toch wat haken en ogen. Zo kan het zijn dat u voor het huwelijk samen een woning hebt gekocht, waarbij het eigendom niet gelijk verdeeld is, bv 30%-70%. Omdat de woning voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was, valt de woning in de gemeenschap en zijn de echtgenoten ieder voor de helft gerechtigd. Bij een echtscheiding verdeelt u dus niet naar de oorspronkelijke verhouding 30-70, maar in de verhouding 50-50. Dit geldt ook voor schulden. Bij een echtscheiding kan het dus zijn dat u juist meer moet delen dan u had gedacht.

Ook zal een goede administratie nodig zijn om bewijsproblemen te voorkomen. Het komt immers vaker voor dat tijdens het huwelijk privévermogen samenvloeit met gezamenlijk vermogen. Bijvoorbeeld een (privé) spaarrekening waarop na verloop van tijd ook gezamenlijk spaargeld wordt gestort en waarvan zowel privéuitgaven en gezamenlijke uitgaven worden betaald. Welk saldo mag u dan nog als privévermogen claimen als u 10 jaar later gaat scheiden?

 

Ondernemers

Ook voor ondernemers wordt het anders. Als u al een onderneming hebt voor het huwelijk, valt die onderneming niet in de gemeenschap. Volgens de nieuwe regeling moet er dan vanuit de onderneming een redelijke vergoeding aan de gemeenschap worden betaald voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de echtgenoot/ondernemer voor de onderneming heeft aangewend. Wat een redelijke vergoeding is, is weer afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij er rekening wordt gehouden met het loon dat al uit de onderneming is ontvangen. Als ondernemende echtgenoot kunt u dus niet zonder meer alle winst binnen het bedrijf oppotten en zo buiten de gemeenschap houden.

 

Scheiden

Een op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding. Goed juridisch advies voor en ook tijdens het huwelijk kan een hoop onverwachte problemen voorkomen. Wilt u meer informatie? Neem gerust contact op voor een vrijblijvend gesprek.

Ook de geboorteakte genderneutraal?

Er is tegenwoordig veel te doen over genderneutraliteit. Zijn gescheiden mannen en vrouwen toiletten nog wel van deze tijd? Passen uitspraken als ‘Beste dames en heren’ nog wel? Moet kleding genderneutraal zijn? Het taboe over genderneutraliteit wordt steeds verder doorbroken. Rechtbank Limburg, locatie Roermond, heeft recent een uitspraak gedaan die daaraan bijdraagt.

 

Geboorteakte

Tot nu toe is het standaard mogelijk om ten aanzien van het geslacht in een geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ op te nemen. Als het medisch gezien niet mogelijk is om het geslacht vast te stellen, dan kan in de geboorteakte worden opgenomen dat ‘het geslacht van het kind niet kan worden vastgesteld’. Hiervan wordt aangenomen dat dit alleen kan ten tijde van de geboorte van een kind. Dit zou niet meer op latere leeftijd kunnen worden opgenomen als blijkt dat iemand zich zowel geen man als vrouw voelt.

Inmiddels is algemeen bekend dat sommige mensen zich geen man of vrouw voelen. Dit is niet altijd medisch te verklaren. Het gaat juist om hoe mensen zich voelen: hun ‘genderbeleving’.

 

Uitspraak Rechtbank Limburg

De zaak die voorlag bij de Rechtbank Limburg was een perfect voorbeeld van genderbeleving.

 

Casus

De belanghebbende is in 1961 geboren en aangegeven als ‘man’. In de puberteit werd duidelijk dat hij zich helemaal geen jongen voelde. Met medische behandelingen is hij een vrouw geworden en hierop werd de geboorteakte aangepast. Toen bleek echter dat zij zich ook geen vrouw voelde. De belanghebbende heeft absoluut geen identiteitscrisis, maar voelt zich geen man en ook geen vrouw. En hoewel de maatschappij hier steeds meer voor open staat, is de wet daar nog niet op ingericht.

Belanghebbende is naar de rechter gestapt omdat zij wil dat de (kromme) juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de feitelijke werkelijkheid. Zij wilde niet dat er op haar geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ stond, maar wilde een derde genderkeuze. Bijvoorbeeld ‘man noch vrouw’ of een ‘X’. Indien dat allemaal niet mogelijk was, heeft ze de Rechtbank gevraagd om dan ten minste te bepalen dat op de geboorteakte vermeld zou worden dat het geslacht niet kon worden vastgesteld.

 

Overwegingen Rechtbank Limburg

De Rechtbank heeft een mooie overweging geschreven met een afweging van de maatschappelijke ontwikkelingen en de juridische ontwikkelingen (internationaal, Europees en in Nederland).

Internationaal (wereldwijd) gezien moeten Staten er alles aan doen om te zorgen dat een door iemand zelfgekozen genderidentiteit kan worden uitgedragen. Hierbij wordt ook specifiek benoemd dat geboorteaktes en identiteitsbewijzen hiermee moeten overeenstemmen. Ook binnen Europa is dit het uitgangspunt. In een resolutie van 2015 (waar Nederland vóór heeft gestemd) wordt aangegeven dat het mogelijk moet zijn om een derde genderaanduiding ‘X’ op te nemen in de identiteitspapieren.

Hoewel er in Nederland absoluut ontwikkelingen zijn op het gebied van genderneutraliteit biedt de wet simpelweg niet de mogelijkheid om een ‘X’ als genderaanduiding op te nemen in de geboorteakte en identiteitsbewijzen. De rechter was wat dat betreft dan ook aan handen en voeten gebonden. De Rechtbank maakt echter wel duidelijk dat zij van mening is dat het gaat om de genderbeleving en dat er eigenlijk een mogelijkheid zou moeten zijn om een ‘X’ te laten opnemen. De rechter werkt om de juridische belemmeringen heen en geeft aan dat het belang van de belanghebbende op juridische erkenning van haar genderidentiteit zwaarder moet wegen dan het handhaven van de wettelijke regelgeving. Aangezien de rechter geen ‘X’ kan laten opnemen, beslist zij dat de geboorteakte gewijzigd moet worden en dat moet worden opgenomen dat ‘het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld’.

 

Afsluitend

In de uitspraak van de Rechtbank Limburg wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren en manieren waarop internationaal en nationaal wordt geprobeerd om genderneutraliteit een plek te geven.

 

Benieuwd naar de hele uitspraak? Deze is hier te vinden.

 

Voor eventuele vragen hierover of andere familierechtelijke zaken ben ik per mail en telefonisch bereikbaar.

Compensatie transitievergoeding bij zieke werknemers; wetsvoorstel aangenomen  

Op 10 juli 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel waarin de compensatie van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid is geregeld. Werkgevers kunnen naar verwachting per 1 april 2020 een compensatie vragen voor deze transitievergoeding.

Transitievergoeding

Sinds 1 juli 2015 heeft een werknemer recht op een transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, als deze minimaal twee jaar heeft geduurd. De bedoeling van de vergoeding is het compenseren van het ontslag en het vergemakkelijken van om de overgang naar ander werk. Ook bij ontslag wegens langdurige ziekte (na twee jaar ziekte) is de transitievergoeding verschuldigd.

Al sinds de invoering van de transitievergoeding wordt te verplichting om deze te betaling bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte als onrechtvaardig ervaren. Immers, werkgevers dienen voorafgaand aan zo’n beëindiging ook al twee jaar (70% van) het salaris van de werknemer door te betalen en ervoor te zorgen dat de re-integratie van zo’n werknemer goed verloopt. De hoge kosten die een werkgever toch al moet maken voor een zieke werknemer zijn voor de (voormalige) regering aanleiding geweest om na te gaan of de regeling omtrent de transitievergoeding op bepaalde punten zou moeten worden aangepast. Het daaruit voortvloeiende wetsvoorstel is nu aangenomen.

 

Regeling

Na inwerkingtreding van de nieuwe regeling (naar verwachting per 1 april 2020) ontvangen werkgevers een compensatie voor de betaalde transitievergoeding bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte. De vergoeding wordt betaald door het UWV en gefinancierd vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Daar staat wel een verhoging van de premie tegenover. De vergoedingsregeling krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015, hetgeen betekent dat ook reeds betaalde transitievergoedingen voor vergoeding in aanmerking komen.

Let op: een eventuele periode van een verlengde loondoorbetalingsplicht vanwege een opgelegde loonsanctie door het UWV wordt niet meegenomen bij de berekening van de compensatiehoogte. Ook in dit kader is het dus zaak om als werkgever aan uw verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Poortwachter, te voldoen.

 

Voorbereidingen

UWV zal gaan beslissen over de aanvraag voor compensatie. UWV zal een aanvraagformulier beschikbaar stellen waarmee werkgevers compensatie kunnen aanvragen. Hierbij zullen in ieder geval de volgende documenten moeten worden aangeleverd:

  • De arbeidsovereenkomst;
  • Documenten waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • Loonstroken waarop staat vermeld welk loon tijdens ziekte is betaald;
  • De berekening van de transitievergoeding en bewijs van betaling daarvan.

Het is dus van belang om te beschikken over de genoemde documenten ten aanzien van werknemers die na 1 juli 2015 uit dienst zijn gegaan wegens langdurige ziekte. U heeft voor deze oude gevallen na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel (naar verwachting 1 april 2020) zes maanden de tijd om de vergoeding aan te vragen.

Heeft u vragen over de compensatieregeling, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ons kantoor.

Vanaf 1 januari 2019 nieuwe aanpak vechtscheidingen bij Rechtbank Limburg

Deze week hebben onze familierechtadvocaten een bijeenkomst bijgewoond over het ‘Uniforme Hulpaanbod’: een pilot bij de Rechtbank Limburg voor een nieuwe aanpak van vechtscheidingen. Een uitzonderlijke samenwerking tussen Rechtbank, gemeenten, Raad voor de Kinderbescherming en jeugdhulpverleners met de hoop om vechtscheidingen in de kiem te kunnen smoren en blijvende schade bij kinderen te voorkomen of in ieder geval te beperken.


Huidige situatie

Op dit moment duurt het vaak lang voordat de noodzakelijke hulpverlening kan worden ingeschakeld. Het traject naar de Rechtbank toe is vaak al lang en vervolgens duurt het nog weken voordat er een beslissing is. Vaak gaat de Raad voor de Kinderbescherming dan eerst nog onderzoek doen en al snel zijn we een jaar verder voordat hulpverlening aan bod komt. In dat jaar hebben ouders alle tijd om conflicten hoger op te laten lopen en gebeurt er weinig om hen weer nader tot elkaar te brengen.

Zelfs als tijdens de zitting direct wordt besloten om een hulpverleningstraject in te zetten moet er vaak nog zes weken gewacht worden op de beschikking van de Rechtbank, waarna het meestal nog enkele weken duurt voordat deze bij de juiste instantie ligt. Pas dan kan er gestart worden met het inplannen van de afspraken, omdat er anders problemen zijn met de financiering. Dit betekent dus dat er alweer maanden verstreken zijn voordat het traject überhaupt wordt gestart.


Uniform hulpaanbod

Dat moest anders: snellere hulpverlening met een kortere doorlooptijd. Geen makkelijke opgave, want het vereist een samenwerking tussen alle gemeentes, jeugdhulpinstanties, rechtbanken en de Raad voor de Kinderbescherming. Maar het is gelukt: 1 januari 2019 start de pilot ‘Uniform Hulpaanbod’.

Wat gaat dat betekenen? Als er sprake is van een vechtscheiding waarbij hulpverlening noodzakelijk en zinvol is, kan er versneld worden doorverwezen naar een hulpverleningstraject. Meteen tijdens de zitting wordt een formulier ingevuld. Dit formulier gaat naar de Raad voor de Kinderbescherming en als er geen (zwaarwegende) contra‑indicaties zijn wordt het formulier binnen twee weken doorgestuurd naar de juiste jeugdhulpverleningsinstantie. Deze plant binnen vijf werkdagen een intake in, die uiterlijk binnen drie tot vijf weken moet plaatsvinden. Vanaf de zitting verstrijken er nog steeds enkele weken, maar dat is al aanzienlijk minder dan enkele maanden en de hoop is dat dit het verschil gaat maken.


Jeugdhulpverlening

Aan het Uniform Hulpaanbod doen verschillende trajecten mee: BOR (Begeleide omgangsregeling), KuK (Kinderen uit de Knel), KIES (coaching voor kinderen in vechtscheidingen) en OnS (Ouderschap na Scheiding). Afhankelijk van de situatie wordt het meest geschikte traject gekozen. Alle trajecten zijn erop gericht dat ex‑partners in de toekomst als ouders kunnen samenwerken, zodat kinderen hierin niet worden belast. De trajecten vragen een enorme toewijding van de ouders. Bij sommige trajecten spelen ook de kinderen een actieve rol.

Alle hulpverleningstrajecten duren zes tot zeven maanden en de Rechtbank wacht het resultaat van het traject af. Als het traject onverhoopt niet positief kan worden afgerond zal de Raad voor de Kinderbescherming alsnog een onderzoek gaan doen. Hiervoor hoeft de zaak niet opnieuw terug te komen bij de Rechtbank. Ook dat is een versnelling van de procedure.


Onze rol

Wij als advocaten hebben natuurlijk ook een rol in deze pilot. Wij informeren onze cliënten over de mogelijkheden, de verschillende soorten trajecten, de inhoud daarvan en ondersteunen onze cliënten waar mogelijk gedurende het hulpverleningstraject.

De pilot gaat op 1 januari 2019 van start en zal in ieder geval twee jaar duren, met de hoop natuurlijk dat het succesvol blijkt te zijn.

Mocht u meer informatie willen, benieuwd zijn naar de mogelijkheden en of een traject in uw situatie kan helpen, dan kunt u contact opnemen met ons via telefoon of e-mail.

Het opzegverbod bij ziekte voor aanvang van een ontbindingsprocedure, nadat het UWV de gevraagde ontslagvergunning heeft geweigerd.

Als een arbeidsplaats komt te vervallen wegens bedrijfseconomische redenen dan is toestemming van het UWV vereist voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van de betreffende werknemer. In het geval het UWV deze toestemming weigert, bestaat sinds de inwerkingtreding van de WWZ de mogelijkheid om binnen twee maanden ná de weigering de kantonrechter te verzoeken om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De meeste werkgevers weten wel dat tijdens ziekte van een werknemer een ontslagverbod geldt, maar hoe moet hiermee worden omgegaan als de werknemer zich pas ziekmeldt nádat de ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend?

De UWV-procedure

Wanneer een werknemer zich ziekmeldt nadat een werkgever toestemming heeft gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan geldt in principe dat – bij verlening van de ontslagvergunning – het opzegverbod niet geldt. Er kan in dat geval dus tot opzegging van de arbeidsovereenkomst worden overgegaan.

De ontbindingsprocedure

Maar wat nou als het UWV weigert om toestemming voor ontslag te verlenen en de werkgever een ontbindingsprocedure wenst te starten bij de kantonrechter? De ziekmelding heeft in dat geval plaatsgevonden vóórdat de procedure bij de kantonrechter is gestart. Betekent dit dan dat de kantonrechter niet kan overgaan tot ontbinding in verband met het geldende opzegverbod wegens ziekte? Kortom, herleeft het opzegverbod?

De rechtspraak

Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat, voor eventuele toepasselijkheid van een opzegverbod wegens ziekte, het moment bepalend is waarop het verzoek door de kantonrechter is ontvangen en niet het moment waarop de aanvraag om een ontslagvergunning door het UWV is ontvangen. De rechtbank Limburg bleek het hier niet mee eens. De kantonrechter vindt het niet passend dat een opzegverbod tijdens ziekte – dat niet van toepassing is als de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV wél toestemming verleent voor opzegging – in de weg kan staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst indien de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV geen toestemming verleent voor opzegging.

Conclusie

Totdat de Hoge Raad een oordeel velt over deze kwestie, zal de rechtspraak mogelijk uiteenlopen, zodat werkgevers er tot die tijd verstandig aan doen om risico’s te beperken. Zo is het bijvoorbeeld aan te raden om eerst de UWV-procedure te starten, voordat de werknemer hiervan op de hoogte wordt gebracht. Om het opzegverbod wegens ziekte in een eventuele procedure bij de kantonrechter te voorkomen, kan het zelfs aangewezen zijn om, tegelijkertijd met de aanvraag van een ontslagvergunning bij het UWV, een verzoek ‘voor zover vereist’ bij de rechtbank in te dienen. Dit voor het geval de werknemer zich tijdens of na de UWV procedure, maar vóór de start van een eventuele procedure bij de rechtbank, ziek meldt.

Heeft u vragen over het opzegverbod bij ziekte, neem dan contact op met ons kantoor.

Wat mag u als werkgever wel of niet melden over de persoon van de werknemer die bij een nieuwe werkgever heeft gesolliciteerd?

Regelmatig komt het voor dat een werknemer tijdens een sollicitatieprocedure referenties doorgeeft, met wie vervolgens contact wordt opgenomen door de potentiële nieuwe werkgever. Wat mag u als oud-werkgever in die gevallen wel en juist niet vertellen over uw voormalig medewerker? Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zeer recent een interessante uitspraak gedaan die over dit thema gaat.

Casus

In genoemde uitspraak gaat het om de vraag of een voormalig werkgever onrechtmatig heeft gehandeld (en in strijd met de AVG) door negatieve informatie te verstrekken over een sollicitant. Het hof heeft daarbij overwogen dat als uitgangspunt te gelden heeft dat, wanneer een sollicitant in een sollicitatieprocedure een voormalig werkgever aanwijst als referent, hij daarmee toestemming geeft voor het afgeven van gegevens over zijn persoon en zijn functioneren. Deze informatie kan zowel positief als negatief voor de persoon in kwestie uitpakken.

Wanneer de werknemer wil dat geen negatieve referentie wordt afgegeven over zijn persoon of functioneren, dan moet hij dat vooraf duidelijk aangeven. Dit is wettelijk zo bepaald (artikel 7:656 lid 3 BW).

De voormalig werkgever kan op zijn beurt een afweging maken of hij als referent nog wel een referentie af wíl geven. Immers, hij dient een zo concreet mogelijk beeld van de betrokken persoon aan de nieuwe werkgever te verstrekken. Doet hij dit niet en houdt hij noodzakelijke informatie achter, dan zou dit kunnen worden betiteld als onzorgvuldig handelen en mogelijkerwijs jegens de (nieuwe) werkgever aansprakelijkheid opleveren voor eventuele schade (artikel 7:656 lid 5 BW).

Samengevat

Als de werknemer géén voorbehoud heeft gemaakt over eventuele negatieve informatie die de persoon zou kunnen raken, dan kunt u als (voormalig) werkgever gerust ook die informatie aan de potentiële nieuwe werkgever verstrekken.

Heeft uw (voormalig) werknemer wél uitdrukkelijk zo’n voorbehoud gemaakt, dan is mijn advies om dit ook expliciet aan de potentiële nieuwe werkgever kenbaar te maken en daarbij te vermelden dat het u niet is toegestaan om eventuele negatieve informatie aangaande de persoon of het functioneren van de werknemer te vermelden. Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan vrijblijvend contact op met ons kantoor.

 

Hoe lang kan de officier van justitie een strafzaak laten liggen voordat de rechter daar consequenties aan verbindt?

Regelmatig bellen cliënten met de vraag hoe het met hun zaak staat; het is immers al een paar maanden geleden dat ze op het politiebureau waren en ze hebben nog steeds niets van justitie gehoord. Hoe lang kan dat duren? En mag dat allemaal?

De Wet

In de wet staat niet zo veel over de tijd die justitie heeft om een onderzoek af te ronden of een beslissing te nemen over of er vervolgd gaat worden en een zaak voor de rechter zal worden gebracht. Niet zoveel is eigenlijk nog te veel: er zijn geen wettelijke termijnen. Dit betekent dat de officier van justitie (OvJ) geen haast hoeft te maken met het uitbrengen van een dagvaarding (de uitnodiging om bij de rechter te komen om je te verantwoorden). De enige termijn die we hebben is “een redelijke termijn”. Wat is dat dan?

Een voorbeeld: iemand heeft 100 hennepplanten thuis staan en de politie constateert dit. Ze houden de bewoner van het pand aan en op het politiebureau maakt de politie proces-verbaal op. De bewoner mag aan het eind van de dag weer naar huis met de mededeling dat hij nog wel hoort van de zaak.

En dan wordt het stil..

In de tussentijd stuurt de politie het dossier naar het Openbaar Ministerie, waar de OvJ een beslissing neemt over of de verdachte vervolgd zal worden. Ook kan de beslissing zijn dat de verdachte een strafbeschikking krijgt aangeboden (zie mijn eerdere blog). Daar gaat blijkbaar wat tijd overheen want het is geen uitzondering dat het een jaar duurt voordat er weer iets gebeurt.

En dan blijft het lang stil..

Na drieënhalf jaar krijgt de verdachte een dagvaarding en moet hij bij de rechter komen. De verdachte is boos: “dat is toch niet normaal? Ik ben al verder gegaan met mijn leven en dan komt dat nog!”

De Jurisprudentie: de redelijke termijn

De redelijke termijn is ontwikkeld in de jurisprudentie, zijnde uitspraken van rechtbanken en de Hoge Raad en is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In het kort komt het erop neer dat een zaak binnen 2 jaren moet zijn afgedaan, waarbij die termijn begint zodra de verdachte er weet van krijgt dat justitie tegen hem strafvervolging instelt. Er zijn wel wat mitsen en maren; als een zaak bijvoorbeeld erg ingewikkeld is dan mag het wat langer duren en bij minderjarigen hanteert de rechter een veel kortere termijn.

 

Er zijn eigenlijk niet echt gevolgen verbonden aan het overschrijden van de redelijke termijn. De rechter kan er gevolgen aan verbinden, maar het hoeft dus niet! De Hoge Raad (HR) heeft uitgemaakt dat de rechter bij overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf kan opleggen, als tegemoetkoming in de richting van de verdachte. Maar als het aan de HR ligt moet de rechter iemand altijd veroordelen, dus al duurt het 5 of 10 jaar!

De praktijk

In de praktijk zien we dat rechters en rechtbanken het niet zomaar eens zijn met de HR: de rechtbanken en rechters willen de mogelijkheid hebben om zelf te bepalen wat een passende reactie is op de overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat de OvJ met enige regelmaat niet ontvankelijk wordt verklaard (en de verdachte dus geen straf krijgt), omdat de rechter vindt dat het gewoon te lang heeft geduurd. Meestal is er dan wel meer aan de hand: lichtere feiten, een rommelig dossier waarin eigenlijk meer onderzoek zou moeten worden gedaan of bijvoorbeeld een verdachte die zichtbaar geleden heeft onder het tijdsverloop.

De rechter is dan meestal wel zo creatief om niet alleen de redelijke termijn als reden te noemen maar bijvoorbeeld ook “het handelen in strijd met een goede procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel” of iets dergelijks, zodat in hoger beroep de uitspraak niet zomaar van tafel geveegd kan worden.

Wat gebeurt er in ons voorbeeld? Tja, dat valt niet zomaar te zeggen. Het zal van de concrete feiten en omstandigheden afhangen welke consequenties de rechter verbindt aan het overschrijden van de redelijke termijn. Met een beetje mazzel geen straf, maar in ieder geval zal een lagere straf worden opgelegd als reactie op het getreuzel van de OvJ.

De rol van het kind (deel 3/3): de (in)formele rechtsingang

De afgelopen twee keer schreef ik over de groeiende belangstelling voor de rol van het kind in gerechtelijke procedures. Meer in het bijzonder over het kindgesprek en de bijzondere curator. Het laatste deel van dit drieluik gaat over de grootste rol die een kind kan worden gegeven: zelf naar de rechter gaan. Oudere kinderen hebben vaker de mogelijkheid om zelf (formeel) naar de rechter te gaan, maar als het gaat om kinderen een rol te geven in de rechtspraak, dan is de ‘informele rechtsingang’ belangrijk voor alle kinderen.


Waarom ‘informeel’?

Informeel dekt de lading precies. Het is namelijk niet zo dat er een officieel verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank en er is bijvoorbeeld ook geen advocaat voor nodig. De informele rechtsingang houdt eigenlijk niets meer in dan dat een kind (ook een kind van jonger dan 12 jaar) een briefje kan sturen naar de rechter met daarin zijn of haar verzoek. Een kind kan zelfs de rechter bellen. De rechter gaat dan afwegen of er iets met het verzoek moet worden gedaan.


Wat kan een kind vragen?

De vraag is dan natuurlijk wat er aan de rechter kan worden gevraagd. Om een paar voorbeelden te geven:

  • een kind kan de rechter vragen om iemand te benoemen die zijn of haar belangen behartigt (een bijzondere curator);
  • een kind kan de rechter vragen om het ouderlijk gezag aan te passen;
  • een kind kan vragen om bij de andere ouder te mogen wonen;
  • een kind kan een aanpassing van de omgangsregeling vragen of zelfs het instellen of stopzetten van een omgangsregeling;
  • een kind kan ook vragen om een omgangsregeling met zijn of haar opa en/of oma;
  • tot slot zou een kind ook kunnen vragen om een informatieregeling tussen ouders in te stellen, aan te passen of zelfs stop te zetten.

Deze punten hebben natuurlijk allemaal een grote invloed op het leven van een kind. Met de informele rechtsingang wordt de mogelijkheid gegeven aan kinderen om hier zelf de regie in te nemen en bij de rechter een procedure af te dwingen, zonder afhankelijk te zijn van hun ouders. Een belangrijke manier dus waarop zij hun stem kunnen laten horen.


Hoe gaat het verder?

Als een kind de rechter iets vraagt, dan gaat de rechter nadenken of daarmee iets moet gebeuren. Het nadeel is dat het kind geen recht heeft op een gemotiveerde beslissing van de rechter. Ook kan het kind niet in hoger beroep tegen de beslissing van de rechter. De rechter zal wel altijd serieus kijken naar het verzoek.

Als de rechter een dergelijk verzoek ontvangt, dan kan de rechter het kind uitnodigen voor een gesprek. Dit gesprek wordt alleen met het kind gevoerd. De rechter gaat dan kijken wat er met de vraag moet gebeuren. Is het bijvoorbeeld nodig om dit met de ouders te bespreken? Is er een beslissing van de rechter nodig? Soms zal de rechter het verder oppakken en de ouders vragen om naar de rechtbank te komen, maar het kan ook voorkomen dat de rechter niet beslist overeenkomstig wat het kind gevraagd heeft.

Hoewel het een ‘informele’ rechtsingang is, wordt er door de rechter serieus gekeken naar de vraag van een kind. Op deze manier kunnen kinderen hun eigen stem nog beter laten horen.


Meer informatie

Voor meer informatie kan een kind terecht op www.rechtvoorjou.nl, maar voor vragen ben ik telefonisch of per mail bereikbaar.

 

Klik op de onderstaande links om mijn eerdere blogs over de rol van het kind te lezen:
*https://www.lina-advocaten.nl/rol-kind-deel-1-3-kindgesprek/
*https://www.lina-advocaten.nl/de-rol-van-het-kind-deel-2-3-de-bijzondere-curator/

Smartengeld voor naasten en nabestaanden

Smartengeld voor naasten, dat kenden wij niet in Nederland. Wij zijn hier sowieso niet heel gul met smartengeld, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Was u nabestaande van een overledene, dan was er voor u helemaal niets. Het is natuurlijk niet zo dat enig bedrag het verlies van uw naaste kan goedmaken of compenseren, maar als u helemaal niets krijgt dan voelt het alsof uw verlies en verdriet niet eens worden erkend.

Op 10 april 2018 is dit veranderd. Op deze datum is het wetsvoorstel Affectieschade door de Eerste Kamer aangenomen. Naasten van personen die ernstig gewond raken of nabestaanden van overledenen hebben binnenkort (vanaf 1 januari 2019) recht op een vorm van smartengeld onder de naam “affectieschade”.

Hoeveel dan?

Het bedrag dat u krijgt wordt bepaald aan de hand van de verschillende categorieën, waarin nabestaanden en naasten vallen. De hoogte van het bedrag hangt verder af van de soort gebeurtenis. De vergoeding voor naasten of nabestaanden van een slachtoffer van een misdrijf zijn iets hoger dan bij een slachtoffer van een ongeval of een medische fout. De categorieën zijn duidelijk opgenomen in de wet, zodat altijd duidelijk is welk bedrag u dient te ontvangen. Kort gezegd liggen de vergoedingen tussen € 12.500 en € 20.000.

Wie betaalt dat?

In principe dient de aansprakelijke partij de vergoeding voor affectieschade te betalen, zoals deze ook de schade van het slachtoffer zelf moet betalen. In het geval van een verkeersongeval zal dit over het algemeen de verzekeraar zijn van degene die schuld heeft aan het ongeval. Bij een mishandeling moet de dader de vergoeding betalen. In de praktijk zal dit hetzelfde worden afgehandeld zoals nu de schade van een slachtoffer wordt geregeld.

Eindelijk…

De letselschadepraktijk pleit al jaren voor het invoeren van een regeling voor affectieschade, maar tot april 2018 heeft geen enkel wetsvoorstel de gang door de eerste en tweede kamer gered. Gelukkig is dit nu veranderd en zullen naasten en nabestaanden van slachtoffers vanaf 1 januari 2019 de erkenning krijgen die ze verdienen. Zoals minister Dekker zei: de vergoeding van affectieschade kan het leed van naasten en nabestaanden niet wegnemen, maar wel erkenning en genoegdoening bieden en hopelijk helpen bij de verwerking.

Mocht u vragen hebben over affectieschade, neemt u dan vrijblijvend contact op met ons kantoor. Wij helpen u graag.