Ouderverstoting

Het is een moeilijk en pijnlijk fenomeen dat steeds meer bekendheid krijgt: het ouderverstotingssyndroom (ook bekend als PAS: Parental Alienation Syndrome). Een paar jaar geleden was het nog een leeg begrip dat slechts door enkele mensen geroepen werd en waarmee niets werd gedaan, maar inmiddels krijgt het steeds meer aandacht en ondernemen ook rechters steeds vaker actie.

Wat is het?

Ouderverstoting doet zich vooral voor bij vechtscheidingen. De verzorgende ouder is openlijk negatief over de niet‑verzorgende ouder en op een gegeven moment wordt dit overgenomen door de kinderen. Dit kan ertoe leiden dat de kinderen niet meer naar de andere ouder willen. Uiteindelijk gaat het kind zelf geloven dat de andere ouder slecht is en dat leidt meer dan eens tot het volledig verbreken van de band tussen hen. Het kind groeit op met een negatief beeld van de andere ouder en soms gaat dit heel ver. Niet alleen de band wordt dan verbroken, maar het kind draagt actief bij aan het zwart maken van de andere ouder. In een rubriek van RTL Nieuws schreef een moeder recent een anonieme brief aan haar dochter, waarin pijnlijk duidelijk wordt hoeveel invloed het heeft op de andere ouder (klik hier voor de brief). Het is echter niet alleen moeilijk voor de verstoten ouder, maar ook voor de kinderen die er slachtoffer van zijn. Villa Pinedo heeft daarover twee (inmiddels volwassen) kinderen geïnterviewd (klik hier voor het eerste verhaal en hier voor het tweede verhaal).

Ouderverstoting doet zich voor in verschillende vormen en is niet altijd bewust. In de mildere vormen kan erger worden voorkomen door het inzetten van hulpverlening en voorlichting. In de ernstige vorm zijn er vrijwel altijd alleen verliezers. Kinderen weten op dat moment niet beter dan dat de andere ouder ‘slecht’ is, dat contact niet veilig is en zullen op enig moment zelf gaan aangeven geen contact te willen. De verstotende ouder verwijst naar de wens van het kind om geen contact te hebben en de verstoten ouder zit met een onmogelijke keuze: procederen en omgang afdwingen, met het risico dat het geen zin heeft of de verstotende ouder nog meer munitie geeft om het kind te beïnvloeden of niets doen en (later) het verwijt krijgen dat er nooit de moeite is genomen om contact te zoeken. Als kinderen op latere leeftijd achter de waarheid komen leidt het bovendien vaak tot een omkering: de ‘verstotende ouder’ wordt verstoten en de band met de ‘verstoten ouder’ wordt (met veel moeite) weer opgebouwd.

Hoe zit dat juridisch?

Rechters hebben vanuit de Hoge Raad de duidelijke opdracht om alle mogelijk middelen in te zetten om omgang tussen ouder en kind te bewerkstelligen. Daarbij wordt verwacht dat rechters ‘out of the box’ en desnoods vergaande middelen inzetten om omgang van de grond te krijgen.

In het geval van ouderverstoting is er helaas geen pasklare juridische oplossing. Meer dan eens is het geen ouderverstoting, maar is er daadwerkelijk iets aan de hand bij de andere ouder, waardoor de angst van een kind gerechtvaardigd is. Bovendien is het opleggen en koste wat kost afdwingen van omgang, terwijl dit tegen alles wat het kind voelt en wil ingaat, ook schadelijk voor een kind.

Al met al is het ook voor (familierecht)advocaten en rechters een moeilijke situatie. De verzorgende ouder roept dat dit de wens en wil van het kind is en dat contact gevaarlijk is, terwijl de niet‑verzorgende ouder roept dat de ander het kind tegen hem/haar opzet. Wanneer gaat het om ouderverstoting en wanneer is er echt iets zorgelijks aan de hand bij de ‘verstoten’ ouder? Wanneer is de expliciete wens van een kind wel gerechtvaardigd en wanneer komt het vanuit de verstotende ouder? Een pasklaar antwoord is er niet.

Wat te doen?

Bij ouderverstoting is het belangrijk dat er zo snel mogelijk actie wordt ondernomen. Voorlichting en actieve inzet van hulpverlening kan nog zorgen voor een ommekeer.

Bij de ernstige vorm van ouderverstoting leidt hulpverlening vaak niet zomaar tot verandering, omdat een kind blijvend negatief beïnvloed wordt en geen ruimte krijgt om een ander beeld van de verstoten ouder te krijgen. Zelfs als er hulpverlening wordt ingezet, zal verandering vrijwel onmogelijk zijn zolang de verstotende ouder in de buurt is. Iedere verbetering zal onmiddellijk weer teniet worden gedaan zodra het kind weer thuis is.

Ook rechters en gezinsvoogden beginnen hier actiever op in te springen. Dit heeft in de afgelopen tijd al meermalen geleid tot het uithuisplaatsen van kinderen. Op die manier kunnen kinderen zich ontwikkelen op een neutraal terrein en een eigen, onafhankelijk beeld vormen van de verstoten ouder.

Dit betekent natuurlijk niet dat rechters ‘zomaar’ een uithuisplaatsing uitspreken als er gesproken wordt over ouderverstoting. Een uithuisplaatsing is natuurlijk enorm ingrijpend voor kinderen en hier moet dan ook goed over nagedacht worden. Pas als alles is geprobeerd, er geen enkele andere mogelijkheid meer is en een kind schade ondervindt als hij/zij bij de verstotende ouder blijft wonen, wordt een uithuisplaatsing overwogen.

Onderneem actie

Het is dus belangrijk om als ouder bewust te zijn van de invloed die u heeft op de kinderen. Vermoedt u ouderverstoting? Trek dan op tijd aan de bel. De advocaten van Lina Advocaten helpen u hier graag bij.

Open spreekuur bibliotheek Venlo

Vanaf juni heeft Lina Advocaten van 15.00 tot 17.00 uur open spreekuur in de bibliotheek te Venlo.
Elke donderdag kunt u terecht van 15.00 tot 17.00 uur.

U kunt vrijblijvend binnenlopen als u een juridische vraag heeft. Eén van onze advocaten bekijkt dan of een direct advies kan worden gegeven of dat een verwijzing naar een andere advocaat of instantie nodig is.

Iedere donderdag van 15.00 tot 17.00 uur, Bibliotheek Venlo, Begijnengang 2 Venlo.

Duur partneralimentatie met ingang van 1 januari 2020 verkort naar 5 jaar

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het initiatiefvoorstel Wet herziening partneralimentatie. Met ingang van 1 januari 2020 wordt de duur van de partneralimentatie de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar.

Daarop zijn twee wettelijke uitzonderingen: langdurige huwelijken en huwelijken met jonge kinderen. Bij huwelijken langer dan 15 jaar, waarbij de leeftijd van de alimentatiegerechtigde ten hoogste 10 jaar lager is dan de AOW-leeftijd, is de duur van de partneralimentatie maximaal 10 jaar. Alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder die langer dan 15 jaar zijn getrouwd, hebben recht op 10 jaar alimentatie. Deze extra maatregel vervalt na zeven jaren. Bij huwelijken met kinderen, die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt, wordt de duur van de partneralimentatie maximaal 12 jaar.

Op dit moment geldt een termijn van 12 jaar. Voor diegenen die in een echtscheidingssituatie zitten, kan het moment van scheiden dus grote invloed hebben op de duur van de partneralimentatie. Laat u daarom goed informeren en adviseren.

Klopt uw alimentatie?

Volgens de wet worden alle alimentatiebedragen ieder jaar met een bepaald bedrag verhoogd. Dit geldt zowel voor alimentatie die door de rechter is vastgesteld als voor alimentatie die bij overeenkomst is vastgelegd. De verhoging gaat in met ingang van 1 januari van ieder jaar. Het percentage waarmee de alimentatie moet worden verhoogd wordt jaarlijks vastgesteld. Voor 2019 is dit bepaald op 2%.

 

Niet iedereen is van deze jaarlijkse verhoging op de hoogte. Bent u de afgelopen jaren vergeten om de alimentatie te verhogen? Op de site van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt dit eenvoudig voor u berekend: https://www.lbio.nl/indexering-alimentatie/

 

Bent u van mening dat uw alimentatiebedrag niet meer klopt? Volgens de wet kunt u vragen om de alimentatie te wijzigen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Neem gerust vrijblijvend contact op met ons kantoor voor meer informatie hierover.

CD van jou, CD van mij…..of toch van ons allebei? Hoe zit het nu sinds 1 januari 2018?

Sinds 1 januari 2018 geldt het nieuw huwelijksvermogensrecht. Voor diegenen die na die datum trouwen (zonder het maken van huwelijkse voorwaarden) geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Voor die tijd gold de algehele gemeenschap van goederen.

 

Wat is het verschil?

In de beperkte gemeenschap van goederen valt niet meer alles in de gemeenschap. Maar wat wel en wat niet?

In de gemeenschap vallen:

  • alle inkomsten, bezittingen en schulden die de echtgenoten tijdens het huwelijk krijgen of maken;
  • alle eigendommen en schulden die voor het huwelijk al gemeenschappelijk

Dus… alle inkomsten, bezittingen en schulden die voor het huwelijk privé waren, blijven ook tijdens en na het huwelijk privé. Een ander verschil is dat erfenissen en schenkingen niet meer automatisch in de gemeenschap vallen. Bij een echtscheiding hoeft u dus minder te delen.

 

Haken en ogen

Het lijkt eenvoudig, maar er zijn toch wat haken en ogen. Zo kan het zijn dat u voor het huwelijk samen een woning hebt gekocht, waarbij het eigendom niet gelijk verdeeld is, bv 30%-70%. Omdat de woning voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was, valt de woning in de gemeenschap en zijn de echtgenoten ieder voor de helft gerechtigd. Bij een echtscheiding verdeelt u dus niet naar de oorspronkelijke verhouding 30-70, maar in de verhouding 50-50. Dit geldt ook voor schulden. Bij een echtscheiding kan het dus zijn dat u juist meer moet delen dan u had gedacht.

Ook zal een goede administratie nodig zijn om bewijsproblemen te voorkomen. Het komt immers vaker voor dat tijdens het huwelijk privévermogen samenvloeit met gezamenlijk vermogen. Bijvoorbeeld een (privé) spaarrekening waarop na verloop van tijd ook gezamenlijk spaargeld wordt gestort en waarvan zowel privéuitgaven en gezamenlijke uitgaven worden betaald. Welk saldo mag u dan nog als privévermogen claimen als u 10 jaar later gaat scheiden?

 

Ondernemers

Ook voor ondernemers wordt het anders. Als u al een onderneming hebt voor het huwelijk, valt die onderneming niet in de gemeenschap. Volgens de nieuwe regeling moet er dan vanuit de onderneming een redelijke vergoeding aan de gemeenschap worden betaald voor de kennis, vaardigheden en arbeid die de echtgenoot/ondernemer voor de onderneming heeft aangewend. Wat een redelijke vergoeding is, is weer afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij er rekening wordt gehouden met het loon dat al uit de onderneming is ontvangen. Als ondernemende echtgenoot kunt u dus niet zonder meer alle winst binnen het bedrijf oppotten en zo buiten de gemeenschap houden.

 

Scheiden

Een op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding. Goed juridisch advies voor en ook tijdens het huwelijk kan een hoop onverwachte problemen voorkomen. Wilt u meer informatie? Neem gerust contact op voor een vrijblijvend gesprek.

Ook de geboorteakte genderneutraal?

Er is tegenwoordig veel te doen over genderneutraliteit. Zijn gescheiden mannen en vrouwen toiletten nog wel van deze tijd? Passen uitspraken als ‘Beste dames en heren’ nog wel? Moet kleding genderneutraal zijn? Het taboe over genderneutraliteit wordt steeds verder doorbroken. Rechtbank Limburg, locatie Roermond, heeft recent een uitspraak gedaan die daaraan bijdraagt.

 

Geboorteakte

Tot nu toe is het standaard mogelijk om ten aanzien van het geslacht in een geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ op te nemen. Als het medisch gezien niet mogelijk is om het geslacht vast te stellen, dan kan in de geboorteakte worden opgenomen dat ‘het geslacht van het kind niet kan worden vastgesteld’. Hiervan wordt aangenomen dat dit alleen kan ten tijde van de geboorte van een kind. Dit zou niet meer op latere leeftijd kunnen worden opgenomen als blijkt dat iemand zich zowel geen man als vrouw voelt.

Inmiddels is algemeen bekend dat sommige mensen zich geen man of vrouw voelen. Dit is niet altijd medisch te verklaren. Het gaat juist om hoe mensen zich voelen: hun ‘genderbeleving’.

 

Uitspraak Rechtbank Limburg

De zaak die voorlag bij de Rechtbank Limburg was een perfect voorbeeld van genderbeleving.

 

Casus

De belanghebbende is in 1961 geboren en aangegeven als ‘man’. In de puberteit werd duidelijk dat hij zich helemaal geen jongen voelde. Met medische behandelingen is hij een vrouw geworden en hierop werd de geboorteakte aangepast. Toen bleek echter dat zij zich ook geen vrouw voelde. De belanghebbende heeft absoluut geen identiteitscrisis, maar voelt zich geen man en ook geen vrouw. En hoewel de maatschappij hier steeds meer voor open staat, is de wet daar nog niet op ingericht.

Belanghebbende is naar de rechter gestapt omdat zij wil dat de (kromme) juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de feitelijke werkelijkheid. Zij wilde niet dat er op haar geboorteakte ‘man’ of ‘vrouw’ stond, maar wilde een derde genderkeuze. Bijvoorbeeld ‘man noch vrouw’ of een ‘X’. Indien dat allemaal niet mogelijk was, heeft ze de Rechtbank gevraagd om dan ten minste te bepalen dat op de geboorteakte vermeld zou worden dat het geslacht niet kon worden vastgesteld.

 

Overwegingen Rechtbank Limburg

De Rechtbank heeft een mooie overweging geschreven met een afweging van de maatschappelijke ontwikkelingen en de juridische ontwikkelingen (internationaal, Europees en in Nederland).

Internationaal (wereldwijd) gezien moeten Staten er alles aan doen om te zorgen dat een door iemand zelfgekozen genderidentiteit kan worden uitgedragen. Hierbij wordt ook specifiek benoemd dat geboorteaktes en identiteitsbewijzen hiermee moeten overeenstemmen. Ook binnen Europa is dit het uitgangspunt. In een resolutie van 2015 (waar Nederland vóór heeft gestemd) wordt aangegeven dat het mogelijk moet zijn om een derde genderaanduiding ‘X’ op te nemen in de identiteitspapieren.

Hoewel er in Nederland absoluut ontwikkelingen zijn op het gebied van genderneutraliteit biedt de wet simpelweg niet de mogelijkheid om een ‘X’ als genderaanduiding op te nemen in de geboorteakte en identiteitsbewijzen. De rechter was wat dat betreft dan ook aan handen en voeten gebonden. De Rechtbank maakt echter wel duidelijk dat zij van mening is dat het gaat om de genderbeleving en dat er eigenlijk een mogelijkheid zou moeten zijn om een ‘X’ te laten opnemen. De rechter werkt om de juridische belemmeringen heen en geeft aan dat het belang van de belanghebbende op juridische erkenning van haar genderidentiteit zwaarder moet wegen dan het handhaven van de wettelijke regelgeving. Aangezien de rechter geen ‘X’ kan laten opnemen, beslist zij dat de geboorteakte gewijzigd moet worden en dat moet worden opgenomen dat ‘het geslacht niet is kunnen worden vastgesteld’.

 

Afsluitend

In de uitspraak van de Rechtbank Limburg wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren en manieren waarop internationaal en nationaal wordt geprobeerd om genderneutraliteit een plek te geven.

 

Benieuwd naar de hele uitspraak? Deze is hier te vinden.

 

Voor eventuele vragen hierover of andere familierechtelijke zaken ben ik per mail en telefonisch bereikbaar.

Compensatie transitievergoeding bij zieke werknemers; wetsvoorstel aangenomen  

Op 10 juli 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel waarin de compensatie van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid is geregeld. Werkgevers kunnen naar verwachting per 1 april 2020 een compensatie vragen voor deze transitievergoeding.

Transitievergoeding

Sinds 1 juli 2015 heeft een werknemer recht op een transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, als deze minimaal twee jaar heeft geduurd. De bedoeling van de vergoeding is het compenseren van het ontslag en het vergemakkelijken van om de overgang naar ander werk. Ook bij ontslag wegens langdurige ziekte (na twee jaar ziekte) is de transitievergoeding verschuldigd.

Al sinds de invoering van de transitievergoeding wordt te verplichting om deze te betaling bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte als onrechtvaardig ervaren. Immers, werkgevers dienen voorafgaand aan zo’n beëindiging ook al twee jaar (70% van) het salaris van de werknemer door te betalen en ervoor te zorgen dat de re-integratie van zo’n werknemer goed verloopt. De hoge kosten die een werkgever toch al moet maken voor een zieke werknemer zijn voor de (voormalige) regering aanleiding geweest om na te gaan of de regeling omtrent de transitievergoeding op bepaalde punten zou moeten worden aangepast. Het daaruit voortvloeiende wetsvoorstel is nu aangenomen.

 

Regeling

Na inwerkingtreding van de nieuwe regeling (naar verwachting per 1 april 2020) ontvangen werkgevers een compensatie voor de betaalde transitievergoeding bij beëindiging van een dienstverband wegens langdurige ziekte. De vergoeding wordt betaald door het UWV en gefinancierd vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Daar staat wel een verhoging van de premie tegenover. De vergoedingsregeling krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015, hetgeen betekent dat ook reeds betaalde transitievergoedingen voor vergoeding in aanmerking komen.

Let op: een eventuele periode van een verlengde loondoorbetalingsplicht vanwege een opgelegde loonsanctie door het UWV wordt niet meegenomen bij de berekening van de compensatiehoogte. Ook in dit kader is het dus zaak om als werkgever aan uw verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Poortwachter, te voldoen.

 

Voorbereidingen

UWV zal gaan beslissen over de aanvraag voor compensatie. UWV zal een aanvraagformulier beschikbaar stellen waarmee werkgevers compensatie kunnen aanvragen. Hierbij zullen in ieder geval de volgende documenten moeten worden aangeleverd:

  • De arbeidsovereenkomst;
  • Documenten waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • Loonstroken waarop staat vermeld welk loon tijdens ziekte is betaald;
  • De berekening van de transitievergoeding en bewijs van betaling daarvan.

Het is dus van belang om te beschikken over de genoemde documenten ten aanzien van werknemers die na 1 juli 2015 uit dienst zijn gegaan wegens langdurige ziekte. U heeft voor deze oude gevallen na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel (naar verwachting 1 april 2020) zes maanden de tijd om de vergoeding aan te vragen.

Heeft u vragen over de compensatieregeling, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ons kantoor.

Vanaf 1 januari 2019 nieuwe aanpak vechtscheidingen bij Rechtbank Limburg

Deze week hebben onze familierechtadvocaten een bijeenkomst bijgewoond over het ‘Uniforme Hulpaanbod’: een pilot bij de Rechtbank Limburg voor een nieuwe aanpak van vechtscheidingen. Een uitzonderlijke samenwerking tussen Rechtbank, gemeenten, Raad voor de Kinderbescherming en jeugdhulpverleners met de hoop om vechtscheidingen in de kiem te kunnen smoren en blijvende schade bij kinderen te voorkomen of in ieder geval te beperken.


Huidige situatie

Op dit moment duurt het vaak lang voordat de noodzakelijke hulpverlening kan worden ingeschakeld. Het traject naar de Rechtbank toe is vaak al lang en vervolgens duurt het nog weken voordat er een beslissing is. Vaak gaat de Raad voor de Kinderbescherming dan eerst nog onderzoek doen en al snel zijn we een jaar verder voordat hulpverlening aan bod komt. In dat jaar hebben ouders alle tijd om conflicten hoger op te laten lopen en gebeurt er weinig om hen weer nader tot elkaar te brengen.

Zelfs als tijdens de zitting direct wordt besloten om een hulpverleningstraject in te zetten moet er vaak nog zes weken gewacht worden op de beschikking van de Rechtbank, waarna het meestal nog enkele weken duurt voordat deze bij de juiste instantie ligt. Pas dan kan er gestart worden met het inplannen van de afspraken, omdat er anders problemen zijn met de financiering. Dit betekent dus dat er alweer maanden verstreken zijn voordat het traject überhaupt wordt gestart.


Uniform hulpaanbod

Dat moest anders: snellere hulpverlening met een kortere doorlooptijd. Geen makkelijke opgave, want het vereist een samenwerking tussen alle gemeentes, jeugdhulpinstanties, rechtbanken en de Raad voor de Kinderbescherming. Maar het is gelukt: 1 januari 2019 start de pilot ‘Uniform Hulpaanbod’.

Wat gaat dat betekenen? Als er sprake is van een vechtscheiding waarbij hulpverlening noodzakelijk en zinvol is, kan er versneld worden doorverwezen naar een hulpverleningstraject. Meteen tijdens de zitting wordt een formulier ingevuld. Dit formulier gaat naar de Raad voor de Kinderbescherming en als er geen (zwaarwegende) contra‑indicaties zijn wordt het formulier binnen twee weken doorgestuurd naar de juiste jeugdhulpverleningsinstantie. Deze plant binnen vijf werkdagen een intake in, die uiterlijk binnen drie tot vijf weken moet plaatsvinden. Vanaf de zitting verstrijken er nog steeds enkele weken, maar dat is al aanzienlijk minder dan enkele maanden en de hoop is dat dit het verschil gaat maken.


Jeugdhulpverlening

Aan het Uniform Hulpaanbod doen verschillende trajecten mee: BOR (Begeleide omgangsregeling), KuK (Kinderen uit de Knel), KIES (coaching voor kinderen in vechtscheidingen) en OnS (Ouderschap na Scheiding). Afhankelijk van de situatie wordt het meest geschikte traject gekozen. Alle trajecten zijn erop gericht dat ex‑partners in de toekomst als ouders kunnen samenwerken, zodat kinderen hierin niet worden belast. De trajecten vragen een enorme toewijding van de ouders. Bij sommige trajecten spelen ook de kinderen een actieve rol.

Alle hulpverleningstrajecten duren zes tot zeven maanden en de Rechtbank wacht het resultaat van het traject af. Als het traject onverhoopt niet positief kan worden afgerond zal de Raad voor de Kinderbescherming alsnog een onderzoek gaan doen. Hiervoor hoeft de zaak niet opnieuw terug te komen bij de Rechtbank. Ook dat is een versnelling van de procedure.


Onze rol

Wij als advocaten hebben natuurlijk ook een rol in deze pilot. Wij informeren onze cliënten over de mogelijkheden, de verschillende soorten trajecten, de inhoud daarvan en ondersteunen onze cliënten waar mogelijk gedurende het hulpverleningstraject.

De pilot gaat op 1 januari 2019 van start en zal in ieder geval twee jaar duren, met de hoop natuurlijk dat het succesvol blijkt te zijn.

Mocht u meer informatie willen, benieuwd zijn naar de mogelijkheden en of een traject in uw situatie kan helpen, dan kunt u contact opnemen met ons via telefoon of e-mail.

Het opzegverbod bij ziekte voor aanvang van een ontbindingsprocedure, nadat het UWV de gevraagde ontslagvergunning heeft geweigerd.

Als een arbeidsplaats komt te vervallen wegens bedrijfseconomische redenen dan is toestemming van het UWV vereist voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van de betreffende werknemer. In het geval het UWV deze toestemming weigert, bestaat sinds de inwerkingtreding van de WWZ de mogelijkheid om binnen twee maanden ná de weigering de kantonrechter te verzoeken om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De meeste werkgevers weten wel dat tijdens ziekte van een werknemer een ontslagverbod geldt, maar hoe moet hiermee worden omgegaan als de werknemer zich pas ziekmeldt nádat de ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend?

De UWV-procedure

Wanneer een werknemer zich ziekmeldt nadat een werkgever toestemming heeft gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan geldt in principe dat – bij verlening van de ontslagvergunning – het opzegverbod niet geldt. Er kan in dat geval dus tot opzegging van de arbeidsovereenkomst worden overgegaan.

De ontbindingsprocedure

Maar wat nou als het UWV weigert om toestemming voor ontslag te verlenen en de werkgever een ontbindingsprocedure wenst te starten bij de kantonrechter? De ziekmelding heeft in dat geval plaatsgevonden vóórdat de procedure bij de kantonrechter is gestart. Betekent dit dan dat de kantonrechter niet kan overgaan tot ontbinding in verband met het geldende opzegverbod wegens ziekte? Kortom, herleeft het opzegverbod?

De rechtspraak

Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat, voor eventuele toepasselijkheid van een opzegverbod wegens ziekte, het moment bepalend is waarop het verzoek door de kantonrechter is ontvangen en niet het moment waarop de aanvraag om een ontslagvergunning door het UWV is ontvangen. De rechtbank Limburg bleek het hier niet mee eens. De kantonrechter vindt het niet passend dat een opzegverbod tijdens ziekte – dat niet van toepassing is als de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV wél toestemming verleent voor opzegging – in de weg kan staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst indien de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV geen toestemming verleent voor opzegging.

Conclusie

Totdat de Hoge Raad een oordeel velt over deze kwestie, zal de rechtspraak mogelijk uiteenlopen, zodat werkgevers er tot die tijd verstandig aan doen om risico’s te beperken. Zo is het bijvoorbeeld aan te raden om eerst de UWV-procedure te starten, voordat de werknemer hiervan op de hoogte wordt gebracht. Om het opzegverbod wegens ziekte in een eventuele procedure bij de kantonrechter te voorkomen, kan het zelfs aangewezen zijn om, tegelijkertijd met de aanvraag van een ontslagvergunning bij het UWV, een verzoek ‘voor zover vereist’ bij de rechtbank in te dienen. Dit voor het geval de werknemer zich tijdens of na de UWV procedure, maar vóór de start van een eventuele procedure bij de rechtbank, ziek meldt.

Heeft u vragen over het opzegverbod bij ziekte, neem dan contact op met ons kantoor.