Het opzegverbod bij ziekte voor aanvang van een ontbindingsprocedure, nadat het UWV de gevraagde ontslagvergunning heeft geweigerd.

Als een arbeidsplaats komt te vervallen wegens bedrijfseconomische redenen dan is toestemming van het UWV vereist voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van de betreffende werknemer. In het geval het UWV deze toestemming weigert, bestaat sinds de inwerkingtreding van de WWZ de mogelijkheid om binnen twee maanden ná de weigering de kantonrechter te verzoeken om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De meeste werkgevers weten wel dat tijdens ziekte van een werknemer een ontslagverbod geldt, maar hoe moet hiermee worden omgegaan als de werknemer zich pas ziekmeldt nádat de ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend?

De UWV-procedure

Wanneer een werknemer zich ziekmeldt nadat een werkgever toestemming heeft gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan geldt in principe dat – bij verlening van de ontslagvergunning – het opzegverbod niet geldt. Er kan in dat geval dus tot opzegging van de arbeidsovereenkomst worden overgegaan.

De ontbindingsprocedure

Maar wat nou als het UWV weigert om toestemming voor ontslag te verlenen en de werkgever een ontbindingsprocedure wenst te starten bij de kantonrechter? De ziekmelding heeft in dat geval plaatsgevonden vóórdat de procedure bij de kantonrechter is gestart. Betekent dit dan dat de kantonrechter niet kan overgaan tot ontbinding in verband met het geldende opzegverbod wegens ziekte? Kortom, herleeft het opzegverbod?

De rechtspraak

Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat, voor eventuele toepasselijkheid van een opzegverbod wegens ziekte, het moment bepalend is waarop het verzoek door de kantonrechter is ontvangen en niet het moment waarop de aanvraag om een ontslagvergunning door het UWV is ontvangen. De rechtbank Limburg bleek het hier niet mee eens. De kantonrechter vindt het niet passend dat een opzegverbod tijdens ziekte – dat niet van toepassing is als de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV wél toestemming verleent voor opzegging – in de weg kan staan aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst indien de ziekmelding heeft plaatsgevonden nadat de aanvraag bij het UWV is ingediend en het UWV geen toestemming verleent voor opzegging.

Conclusie

Totdat de Hoge Raad een oordeel velt over deze kwestie, zal de rechtspraak mogelijk uiteenlopen, zodat werkgevers er tot die tijd verstandig aan doen om risico’s te beperken. Zo is het bijvoorbeeld aan te raden om eerst de UWV-procedure te starten, voordat de werknemer hiervan op de hoogte wordt gebracht. Om het opzegverbod wegens ziekte in een eventuele procedure bij de kantonrechter te voorkomen, kan het zelfs aangewezen zijn om, tegelijkertijd met de aanvraag van een ontslagvergunning bij het UWV, een verzoek ‘voor zover vereist’ bij de rechtbank in te dienen. Dit voor het geval de werknemer zich tijdens of na de UWV procedure, maar vóór de start van een eventuele procedure bij de rechtbank, ziek meldt.

Heeft u vragen over het opzegverbod bij ziekte, neem dan contact op met ons kantoor.

Wat mag u als werkgever wel of niet melden over de persoon van de werknemer die bij een nieuwe werkgever heeft gesolliciteerd?

Regelmatig komt het voor dat een werknemer tijdens een sollicitatieprocedure referenties doorgeeft, met wie vervolgens contact wordt opgenomen door de potentiële nieuwe werkgever. Wat mag u als oud-werkgever in die gevallen wel en juist niet vertellen over uw voormalig medewerker? Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zeer recent een interessante uitspraak gedaan die over dit thema gaat.

Casus

In genoemde uitspraak gaat het om de vraag of een voormalig werkgever onrechtmatig heeft gehandeld (en in strijd met de AVG) door negatieve informatie te verstrekken over een sollicitant. Het hof heeft daarbij overwogen dat als uitgangspunt te gelden heeft dat, wanneer een sollicitant in een sollicitatieprocedure een voormalig werkgever aanwijst als referent, hij daarmee toestemming geeft voor het afgeven van gegevens over zijn persoon en zijn functioneren. Deze informatie kan zowel positief als negatief voor de persoon in kwestie uitpakken.

Wanneer de werknemer wil dat geen negatieve referentie wordt afgegeven over zijn persoon of functioneren, dan moet hij dat vooraf duidelijk aangeven. Dit is wettelijk zo bepaald (artikel 7:656 lid 3 BW).

De voormalig werkgever kan op zijn beurt een afweging maken of hij als referent nog wel een referentie af wíl geven. Immers, hij dient een zo concreet mogelijk beeld van de betrokken persoon aan de nieuwe werkgever te verstrekken. Doet hij dit niet en houdt hij noodzakelijke informatie achter, dan zou dit kunnen worden betiteld als onzorgvuldig handelen en mogelijkerwijs jegens de (nieuwe) werkgever aansprakelijkheid opleveren voor eventuele schade (artikel 7:656 lid 5 BW).

Samengevat

Als de werknemer géén voorbehoud heeft gemaakt over eventuele negatieve informatie die de persoon zou kunnen raken, dan kunt u als (voormalig) werkgever gerust ook die informatie aan de potentiële nieuwe werkgever verstrekken.

Heeft uw (voormalig) werknemer wél uitdrukkelijk zo’n voorbehoud gemaakt, dan is mijn advies om dit ook expliciet aan de potentiële nieuwe werkgever kenbaar te maken en daarbij te vermelden dat het u niet is toegestaan om eventuele negatieve informatie aangaande de persoon of het functioneren van de werknemer te vermelden. Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan vrijblijvend contact op met ons kantoor.

 

Hoe lang kan de officier van justitie een strafzaak laten liggen voordat de rechter daar consequenties aan verbindt?

Regelmatig bellen cliënten met de vraag hoe het met hun zaak staat; het is immers al een paar maanden geleden dat ze op het politiebureau waren en ze hebben nog steeds niets van justitie gehoord. Hoe lang kan dat duren? En mag dat allemaal?

De Wet

In de wet staat niet zo veel over de tijd die justitie heeft om een onderzoek af te ronden of een beslissing te nemen over of er vervolgd gaat worden en een zaak voor de rechter zal worden gebracht. Niet zoveel is eigenlijk nog te veel: er zijn geen wettelijke termijnen. Dit betekent dat de officier van justitie (OvJ) geen haast hoeft te maken met het uitbrengen van een dagvaarding (de uitnodiging om bij de rechter te komen om je te verantwoorden). De enige termijn die we hebben is “een redelijke termijn”. Wat is dat dan?

Een voorbeeld: iemand heeft 100 hennepplanten thuis staan en de politie constateert dit. Ze houden de bewoner van het pand aan en op het politiebureau maakt de politie proces-verbaal op. De bewoner mag aan het eind van de dag weer naar huis met de mededeling dat hij nog wel hoort van de zaak.

En dan wordt het stil..

In de tussentijd stuurt de politie het dossier naar het Openbaar Ministerie, waar de OvJ een beslissing neemt over of de verdachte vervolgd zal worden. Ook kan de beslissing zijn dat de verdachte een strafbeschikking krijgt aangeboden (zie mijn eerdere blog). Daar gaat blijkbaar wat tijd overheen want het is geen uitzondering dat het een jaar duurt voordat er weer iets gebeurt.

En dan blijft het lang stil..

Na drieënhalf jaar krijgt de verdachte een dagvaarding en moet hij bij de rechter komen. De verdachte is boos: “dat is toch niet normaal? Ik ben al verder gegaan met mijn leven en dan komt dat nog!”

De Jurisprudentie: de redelijke termijn

De redelijke termijn is ontwikkeld in de jurisprudentie, zijnde uitspraken van rechtbanken en de Hoge Raad en is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In het kort komt het erop neer dat een zaak binnen 2 jaren moet zijn afgedaan, waarbij die termijn begint zodra de verdachte er weet van krijgt dat justitie tegen hem strafvervolging instelt. Er zijn wel wat mitsen en maren; als een zaak bijvoorbeeld erg ingewikkeld is dan mag het wat langer duren en bij minderjarigen hanteert de rechter een veel kortere termijn.

 

Er zijn eigenlijk niet echt gevolgen verbonden aan het overschrijden van de redelijke termijn. De rechter kan er gevolgen aan verbinden, maar het hoeft dus niet! De Hoge Raad (HR) heeft uitgemaakt dat de rechter bij overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf kan opleggen, als tegemoetkoming in de richting van de verdachte. Maar als het aan de HR ligt moet de rechter iemand altijd veroordelen, dus al duurt het 5 of 10 jaar!

De praktijk

In de praktijk zien we dat rechters en rechtbanken het niet zomaar eens zijn met de HR: de rechtbanken en rechters willen de mogelijkheid hebben om zelf te bepalen wat een passende reactie is op de overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat de OvJ met enige regelmaat niet ontvankelijk wordt verklaard (en de verdachte dus geen straf krijgt), omdat de rechter vindt dat het gewoon te lang heeft geduurd. Meestal is er dan wel meer aan de hand: lichtere feiten, een rommelig dossier waarin eigenlijk meer onderzoek zou moeten worden gedaan of bijvoorbeeld een verdachte die zichtbaar geleden heeft onder het tijdsverloop.

De rechter is dan meestal wel zo creatief om niet alleen de redelijke termijn als reden te noemen maar bijvoorbeeld ook “het handelen in strijd met een goede procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel” of iets dergelijks, zodat in hoger beroep de uitspraak niet zomaar van tafel geveegd kan worden.

Wat gebeurt er in ons voorbeeld? Tja, dat valt niet zomaar te zeggen. Het zal van de concrete feiten en omstandigheden afhangen welke consequenties de rechter verbindt aan het overschrijden van de redelijke termijn. Met een beetje mazzel geen straf, maar in ieder geval zal een lagere straf worden opgelegd als reactie op het getreuzel van de OvJ.

De rol van het kind (deel 3/3): de (in)formele rechtsingang

De afgelopen twee keer schreef ik over de groeiende belangstelling voor de rol van het kind in gerechtelijke procedures. Meer in het bijzonder over het kindgesprek en de bijzondere curator. Het laatste deel van dit drieluik gaat over de grootste rol die een kind kan worden gegeven: zelf naar de rechter gaan. Oudere kinderen hebben vaker de mogelijkheid om zelf (formeel) naar de rechter te gaan, maar als het gaat om kinderen een rol te geven in de rechtspraak, dan is de ‘informele rechtsingang’ belangrijk voor alle kinderen.


Waarom ‘informeel’?

Informeel dekt de lading precies. Het is namelijk niet zo dat er een officieel verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank en er is bijvoorbeeld ook geen advocaat voor nodig. De informele rechtsingang houdt eigenlijk niets meer in dan dat een kind (ook een kind van jonger dan 12 jaar) een briefje kan sturen naar de rechter met daarin zijn of haar verzoek. Een kind kan zelfs de rechter bellen. De rechter gaat dan afwegen of er iets met het verzoek moet worden gedaan.


Wat kan een kind vragen?

De vraag is dan natuurlijk wat er aan de rechter kan worden gevraagd. Om een paar voorbeelden te geven:

  • een kind kan de rechter vragen om iemand te benoemen die zijn of haar belangen behartigt (een bijzondere curator);
  • een kind kan de rechter vragen om het ouderlijk gezag aan te passen;
  • een kind kan vragen om bij de andere ouder te mogen wonen;
  • een kind kan een aanpassing van de omgangsregeling vragen of zelfs het instellen of stopzetten van een omgangsregeling;
  • een kind kan ook vragen om een omgangsregeling met zijn of haar opa en/of oma;
  • tot slot zou een kind ook kunnen vragen om een informatieregeling tussen ouders in te stellen, aan te passen of zelfs stop te zetten.

Deze punten hebben natuurlijk allemaal een grote invloed op het leven van een kind. Met de informele rechtsingang wordt de mogelijkheid gegeven aan kinderen om hier zelf de regie in te nemen en bij de rechter een procedure af te dwingen, zonder afhankelijk te zijn van hun ouders. Een belangrijke manier dus waarop zij hun stem kunnen laten horen.


Hoe gaat het verder?

Als een kind de rechter iets vraagt, dan gaat de rechter nadenken of daarmee iets moet gebeuren. Het nadeel is dat het kind geen recht heeft op een gemotiveerde beslissing van de rechter. Ook kan het kind niet in hoger beroep tegen de beslissing van de rechter. De rechter zal wel altijd serieus kijken naar het verzoek.

Als de rechter een dergelijk verzoek ontvangt, dan kan de rechter het kind uitnodigen voor een gesprek. Dit gesprek wordt alleen met het kind gevoerd. De rechter gaat dan kijken wat er met de vraag moet gebeuren. Is het bijvoorbeeld nodig om dit met de ouders te bespreken? Is er een beslissing van de rechter nodig? Soms zal de rechter het verder oppakken en de ouders vragen om naar de rechtbank te komen, maar het kan ook voorkomen dat de rechter niet beslist overeenkomstig wat het kind gevraagd heeft.

Hoewel het een ‘informele’ rechtsingang is, wordt er door de rechter serieus gekeken naar de vraag van een kind. Op deze manier kunnen kinderen hun eigen stem nog beter laten horen.


Meer informatie

Voor meer informatie kan een kind terecht op www.rechtvoorjou.nl, maar voor vragen ben ik telefonisch of per mail bereikbaar.

 

Klik op de onderstaande links om mijn eerdere blogs over de rol van het kind te lezen:
*https://www.lina-advocaten.nl/rol-kind-deel-1-3-kindgesprek/
*https://www.lina-advocaten.nl/de-rol-van-het-kind-deel-2-3-de-bijzondere-curator/

Smartengeld voor naasten en nabestaanden

Smartengeld voor naasten, dat kenden wij niet in Nederland. Wij zijn hier sowieso niet heel gul met smartengeld, zeker ten opzichte van andere Europese landen. Was u nabestaande van een overledene, dan was er voor u helemaal niets. Het is natuurlijk niet zo dat enig bedrag het verlies van uw naaste kan goedmaken of compenseren, maar als u helemaal niets krijgt dan voelt het alsof uw verlies en verdriet niet eens worden erkend.

Op 10 april 2018 is dit veranderd. Op deze datum is het wetsvoorstel Affectieschade door de Eerste Kamer aangenomen. Naasten van personen die ernstig gewond raken of nabestaanden van overledenen hebben binnenkort (vanaf 1 januari 2019) recht op een vorm van smartengeld onder de naam “affectieschade”.

Hoeveel dan?

Het bedrag dat u krijgt wordt bepaald aan de hand van de verschillende categorieën, waarin nabestaanden en naasten vallen. De hoogte van het bedrag hangt verder af van de soort gebeurtenis. De vergoeding voor naasten of nabestaanden van een slachtoffer van een misdrijf zijn iets hoger dan bij een slachtoffer van een ongeval of een medische fout. De categorieën zijn duidelijk opgenomen in de wet, zodat altijd duidelijk is welk bedrag u dient te ontvangen. Kort gezegd liggen de vergoedingen tussen € 12.500 en € 20.000.

Wie betaalt dat?

In principe dient de aansprakelijke partij de vergoeding voor affectieschade te betalen, zoals deze ook de schade van het slachtoffer zelf moet betalen. In het geval van een verkeersongeval zal dit over het algemeen de verzekeraar zijn van degene die schuld heeft aan het ongeval. Bij een mishandeling moet de dader de vergoeding betalen. In de praktijk zal dit hetzelfde worden afgehandeld zoals nu de schade van een slachtoffer wordt geregeld.

Eindelijk…

De letselschadepraktijk pleit al jaren voor het invoeren van een regeling voor affectieschade, maar tot april 2018 heeft geen enkel wetsvoorstel de gang door de eerste en tweede kamer gered. Gelukkig is dit nu veranderd en zullen naasten en nabestaanden van slachtoffers vanaf 1 januari 2019 de erkenning krijgen die ze verdienen. Zoals minister Dekker zei: de vergoeding van affectieschade kan het leed van naasten en nabestaanden niet wegnemen, maar wel erkenning en genoegdoening bieden en hopelijk helpen bij de verwerking.

Mocht u vragen hebben over affectieschade, neemt u dan vrijblijvend contact op met ons kantoor. Wij helpen u graag.

Bent u als werkgever voorbereid op de nieuwe AVG?

Zoals u waarschijnlijk bekend is op 25 mei 2018 de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG) in werking getreden. Heeft dit voor u als werkgever consequenties met betrekking tot het verwerken van de gegevens van uw personeel?

Gewone en bijzondere persoonsgegevens
In de nieuwe AVG wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone en bijzondere persoonsgegevens. Onder algemene persoonsgegevens wordt onder meer verstaan naam, geboortedatum, leeftijd, adres en opleidingsniveau van werknemers. Onder de bijzondere persoonsgegevens zijn onder meer te vatten de gegevens met betrekking tot ras en etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze en levensbeschouwende overtuigingen en een eventueel lidmaatschap van een vakbond. Ook kunnen daaronder vallen gegevens met betrekking tot iemands seksuele gedrag of geaardheid, eventuele geestelijke afwijkingen etc. Hoe moet u deze gegevens nu verwerken?

Gerechtvaardigd verwerkingsdoel
U mag als werkgever deze persoonsgegevens verwerken indien er sprake is van een zogenaamd onbepaald uitdrukkelijk onomstreden en gerechtvaardigd verwerkingsdoel. Als werkgever dient u zich te houden aan de identificatieplicht; immers, u moet salaris kunnen uitbetalen en u moet persoonsgegevens kunnen doorgeven aan diverse derden, zoals verzekerings- en pensioenmaatschappijen etc. Verwerking is een ruim begrip. Hieronder valt onder meer het verzamelen, het vastleggen, het opslaan, het bijwerken en het wijzigen alsook het vernietigen van allerlei persoonsgegevens.

Rechten van werknemers
De AVG geeft ook werknemers meer rechten, zoals het recht op informatie inzage en het verkrijgen van een kopie, het recht op rectificatie, het recht op gegevenswissing (“right tot be forgotten”) en het recht om niet onderworpen te zijn aan geautomatiseerde besluiten. Het is als werkgever dus zaak om uw personeelsdossier te controleren en na te gaan of juist met de persoonsgegevens van uw personeelsleden wordt omgegaan.

Meldingsplicht
Op basis van de AVG heeft u als werkgever een meldingsplicht bij datalekken. Van datalekken is sprake als er persoonsgegevens verloren zijn gegaan of onrechtmatig zijn verwerkt (bijvoorbeeld verstuurd naar een verkeerde instantie). U dient dit, na constatering daarvan,  binnen 72 uur te melden bij de AP (Autoriteit Persoonsgegevens).

Grote werkgevers
Op basis van de AVG zijn bepaalde werkgevers ook verplicht tot het bijhouden van een register van verwerkingsactiviteiten. Dit geldt voor werkgevers met meer dan 250 werknemers, die gegevensverwerking niet incidenteel maar op regelmatige basis uitvoeren c.q. laten uitvoeren en bijzondere gegevens verwerken (denk daarbij aan ziekenhuizen, verzekeringsmaatschappijen, onderwijsinstellingen etc.).

Tip
Bewaar enkel wat noodzakelijk is. Schoon uw bestand regelmatig op en check het huidige bestand op eventuele datalekken.

De Eerstejaars Ziektewetbeoordeling door het UWV

U heeft geen werkgever en bent bijna één jaar ziek. In dat geval krijgt u te maken met de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) door het UWV. De Eerstejaars Ziektewetbeoordeling bestaat uit een gesprek met een verzekeringsarts en, indien deze verzekeringsarts mogelijkheden ziet tot het verrichten van arbeid, een arbeidsdeskundige. Daarna beslist het UWV of uw Ziektewetuitkering stopt of nog maximaal één jaar doorloopt. Als uw uitkering doorloopt, dan zal het UWV bij twee jaar arbeidsongeschiktheid beoordelen of u in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

Toets

Bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling wordt uw situatie anders beoordeeld dan bij de aanvraag om een Ziektewetuitkering. Bij de aanvraag wordt er getoetst of u uw eigen werk, het werk dat u voorafgaand aan uw ziekte of ww-periode deed, nog kunt verrichten. Bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling wordt gekeken naar uw mogelijkheden tot het verrichten van gangbare arbeid en wat u daarmee zou kunnen verdienen. Indien de conclusie is dat u meer dan 65% kunt verdienen van het salaris dat u voor uw ziekte verdiende, dan stopt uw Ziektewetuitkering. Het gaat hierbij om uw theoretische verdiencapaciteit; u moet vervolgens zelf aan de slag om deze te gaan benutten.

Eigen risico dragen en Eerstejaars Ziektewetbeoordeling

Ook indien u uw Ziektewetkering ontvangt van uw voormalig werkgever in verband met het feit dat deze eigen risico drager is, voert het UWV de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling uit. U ontvangt dus ook in dit geval een beslissing over de voortzetting van uw uitkering van het UWV.

Niet eens met Eerstejaars Ziektewet-beoordeling? Maak bezwaar!

Als u het niet eens bent met de beslissing kunt u daartegen binnen de bezwaartermijn bezwaar maken. Dit moet schriftelijk en kunt u in principe zelf doen. Het is echter verstandig om een specialist in te schakelen die u kan adviseren en een bezwaarschrift voor u kan indienen. Het gaat immers om uw inkomen!

Heeft u vragen over of krijgt u op korte termijn te maken met de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling of heeft u misschien al een beslissing ontvangen en wilt u hiertegen bezwaar maken, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij adviseren u graag over de mogelijkheden.

Lina Advocaten - In het nieuws: Advocaten Blad april 2018: Non Stoppers

Advocaten Blad: Non-stoppers

Lina Advocaten - In het nieuws: Advocaten Blad april 2018: Non Stoppers

Guus Lina, advocaat bij Lina Advocaten in Venlo, wordt in augustus 68 maar moet niet aan stoppen met werken dénken.’Mijn passie is mijn drijfveer.’

Lees het complete artikel (pdf)

Bron: advocatenblad.nl

De rol van het kind (deel 2/3): de bijzondere curator

De vorige keer schreef ik over de groeiende belangstelling voor de rol van het kind in gerechtelijke procedures binnen het familierecht. Toen had ik het over het kindgesprek, maar kinderen krijgen een nog belangrijkere stem in de procedure door het inschakelen van een bijzondere curator. Waar ouders vaak ieder een eigen advocaat hebben, komt de bijzondere curator op voor de belangen van het kind. Dit is als het ware de advocaat van het kind.

 

Wanneer is een bijzondere curator nodig?

Een bijzondere curator wordt niet zomaar voor ieder kind ingeschakeld. Dit gebeurt alleen als er een discussie is tussen de ouders onderling, waardoor het belang van het kind zodanig in de knel komt dat er geen andere oplossing meer is. Ook wordt een bijzondere curator benoemd als een kind zelf een conflict heeft met een ouder of voogd.

 

Wie kan om een bijzondere curator vragen?

Soms beslist de rechter uit zichzelf dat er een bijzondere curator moet komen, maar de benoeming kan ook worden verzocht. Ouders, pleegouders, voogden en voogdijinstellingen kunnen om een bijzondere curator vragen. Maar veel belangrijker: het kind kan hier ook zelf om vragen. Als een kind een discussie heeft met zijn of haar ouders, dan kan dit kind zelf aan de rechter vragen om een bijzondere curator te benoemen.

Ieder kind kan een verzoek doen door een simpel briefje of een e-mail te versturen naar de rechtbank in de buurt. Het kind moet dan toelichten wat er speelt en waarom hij of zij wil dat er een bijzondere curator wordt benoemd. Dit is een ‘informeel verzoek’. De rechter zal afwegen of hij het ‘informele verzoek’ in behandeling neemt. Kinderen vanaf 12 jaar kunnen ook een ‘formeel verzoek’ indienen door middel van een verzoekschrift. De rechter moet dit in behandeling nemen en hierop beslissen.

 

Hoe gaat het verder?

Als de rechter besluit om het verzoek in behandeling te nemen, dan volgt er een zitting. Hiervoor worden het kind, de ouders, pleegouders en/of voogden uitgenodigd. Hier wordt verder besproken wat er aan de hand is en waarom een bijzondere curator nodig is. De rechter neemt dan uiteindelijk een beslissing over of een bijzondere curator wordt aangewezen.

 

Wie is de bijzondere curator?

Vaak is een bijzondere curator een advocaat, maar dat hoeft niet altijd. In principe beoordeelt de rechter wie het meest geschikt is. In uitzonderlijke gevallen kunnen er ook twee bijzondere curatoren worden aangewezen.

 

Wat doet de bijzondere curator?

De bijzondere curator voert gesprekken met het kind, directbetrokkenen en derden uit de omgeving van het kind (bijvoorbeeld school of een gezinsvoogd). De bijzondere curator stuurt vervolgens een verslag naar de rechter. In dit verslag geeft de bijzondere curator aan wat hij in het belang van het kind vindt. Het verslag komt terecht bij alle betrokkenen.

Stel dat de bijzondere curator een wijziging van de situatie in het belang van het kind vindt, dan kan hij hier namens het kind zelf om verzoeken bij de rechtbank.

 

Waarom een bijzondere curator?

Als een kind een conflict heeft met zijn of haar ouders, omdat hij of zij bijvoorbeeld specifieke wensen heeft over het contact met beide ouders of bij welke ouder hij of zij wil wonen, dan kan het soms lastig zijn om dit tegen de ouders te zeggen. Door het inschakelen van een bijzondere curator is een kind niet afhankelijk van de ouders om een verzoek tot wijziging van de omgang of het hoofdverblijf aan de rechter voor te leggen. Een kind kan zelf contact opnemen met de rechtbank met een mailtje of een briefje en vragen om een bijzondere curator te benoemen. Deze bijzondere curator kan dan voor de wensen van het kind opkomen.

De bijzondere curator is dus een belangrijke manier voor een kind om zijn of haar mening/wens kenbaar te maken bij de rechter. Het is zelfs een manier om zonder medewerking van de ouders een wijziging in de omgang of het hoofdverblijf te bewerkstelligen.

Kent u een kind dat met een dergelijk probleem zit? Neem dan gerust contact op als u vragen heeft.

 

Klik op de onderstaande links om mijn andere blogs over de rol van het kind te lezen:
*https://www.lina-advocaten.nl/rol-kind-deel-1-3-kindgesprek/
*https://www.lina-advocaten.nl/de-rol-van-het-kind-deel-3-3-de-informele-rechtsingang/

Even voorstellen: nieuwe collega (advocaat én mediator)!

Hallo, mijn naam is Maureen Setiaman. Na een periode van acht jaar kantoor te hebben gehouden onder de naam Valuas Advocaten ben ik sinds 1 april jl. een samenwerking aangegaan met Lina Advocaten en houd ik ook mijn kantoor daar. Ik combineer twee mooie beroepen, dat van advocaat en dat van mediator. Ook als advocaat zoek ik daarom graag naar een oplossing die voor alle partijen aanvaardbaar is. Ik ben al vele jaren gespecialiseerd in het familierecht en heb mijn praktijk nu uitgebreid met letselschade. Ik verheug mij op een mooie toekomst met mijn nieuwe collega’s!